Het alchemistisch 'groot werk'

In ‘Nadja’ (1927) schetst surrealist André Breton een vaag beeld van een krankzinnige geliefde. Hester Albach onthult in haar nieuwe boek Nadja’s ware identiteit.

Hester Albach: Léona, héroïne du surréalisme. Vertaald in het Frans door A. Ounanian. Actes Sud, 313 blz. € 21,-

Iedereen die Nadja heeft gelezen, misschien wel het bekendste boek (uit 1927) van de surrealistische voorman André Breton, zal zich afvragen wie deze Nadja is geweest. In het boek komt Breton haar op 4 oktober 1926 tegen in Parijs. Op straat is zij tussen de kantoorbedienden en werklieden de enige die ‘met opgeheven hoofd’ loopt, ondanks haar armoedige kledij. Een ‘onmerkbare glimlach’ dwaalt over haar gezicht, dat maar half opgemaakt lijkt te zijn. Nog nooit heeft Breton ‘zulke ogen’ gezien. Hij is meteen gefascineerd en spreekt haar aan, waarna ze samen negen dagen lang door de stad dwalen. Doelloos en open voor alle indrukken, zoals het een surrealist betaamt.

Aanvankelijk gebeurt dat alleen overdag, want Breton is getrouwd en ’s avonds keert hij terug naar zijn vrouw. Pas op 13 oktober, tijdens een uitstapje naar Saint Germain-en-Laye, brengen ze samen de nacht door in een hotel. Het betekent het einde van hun samenzijn. Breton realiseert zich dat hij niet echt van haar houdt en tegen een vriend zal hij later zeggen dat het was alsof hij de liefde had bedreven met ‘Jeanne d’Arc’.

Nadja (naar het Russische woord voor ‘hoop’) bestookt hem lang met brieven en tekeningen, in de hoop hem terug te winnen. Tevergeefs. En dan krijgt Breton het bericht dat zij ‘krankzinnig’ is geworden en is opgenomen in een psychiatrische inrichting. Een paar maanden later schrijft hij over haar een boek, in het Normandische kasteel van Ango, een hotel waar hij die zomer van 1927 de enige gast is.

In Nadja vraagt Nadja hem zelf over haar een ‘roman’ te schrijven, zodat er tenminste iets ‘van ons’ zal overblijven. Waarom heeft Breton dat gedaan? Wat heeft hij precies in haar gezien? Uit het boek blijkt dat het om veel meer ging dan enkel erotische attractie. Nadja grossiert in orakelspreuken (‘Ik ben de gedachte over het bad in de kamer zonder spiegels’), zij doet kleine voorspellingen die uitkomen, zij heeft visioenen of hallucinaties, van een ‘blauwe wind’ tussen de bomen of een ‘vlammende hand’ boven de Seine. Op de vraag wie zij is, komt als antwoord: ‘Ik ben de dolende ziel’. Breton is verrukt, hij beschouwt haar als een ‘vrije genius’, een ‘altijd geïnspireerd en inspirerend wezen’ – zij ziet in hem niets minder dan een ‘zon’ of zelfs een ‘god’.

Gestoord

Dat zij waarschijnlijk van meet af aan behoorlijk gestoord was, ontgaat Breton, die toch ooit psychiatrie had gestudeerd. Hij wil het niet zien. Liever beschouwt hij Nadja als een ontketende zieneres, iemand die de zwaartekracht van het leven heeft overwonnen en zich heeft ontworsteld aan de gevangenis van de logica. Het surrealisme bevindt zich in 1926 op een breekpunt, vanwege Bretons wens om toe te treden tot de communistische partij, waar men niet bepaald op hem zit te wachten. Nadja is het wandelende bewijs dat zijn surrealistische revolutie niet op een hersenschim berust, maar daadwerkelijk geleefd kan worden. Als hij hoort dat Nadja onvrijwillig is opgenomen, volgt een furieuze tirade tegen de psychiatrie die alle vrijheid smoort, al is er tussen de regels ook een sluimerend schuldgevoel merkbaar. Misschien heeft hij met zijn idealisering en zijn enthousiasme haar latente krankzinnigheid wel bevorderd, misschien was ze beter af geweest als ze hem nooit had ontmoet.

Om dit laatste te beoordelen, zouden we veel meer van Nadja moeten weten. Uit Bretons boek krijgen we een vaag beeld van haar persoon en leven, zo vaag dat sommigen hebben gedacht dat Breton haar verzonnen had, ook al wordt dat in het boek ten stelligste ontkend. Volgens Breton, die zegt te leven in een ‘glazen huis’ zonder geheimen, zou alles juist ‘uit het leven gegrepen’ zijn. Nadja was inderdaad geen verzinsel van Breton.

In de aantekeningen bij de Pléiade-editie van Bretons Oeuvres complètes onthulde Marguerite Bonnet (in 1988) haar werkelijke naam: Léona Camille Ghislaine D. – alleen de achternaam wenste Bonnet niet prijs te geven. Ook Bretons biografen hebben die niet weten te achterhalen, maar de Nederlandse schrijfster Hester Albach is daar wel in geslaagd. Ooit was zij wereldberoemd in Nederland met haar korte roman Het debuut (1975), nu trekt zij in Frankrijk de aandacht met haar in het Frans vertaalde (maar nog niet bij ons uitgegeven) biografie van Nadja: Léona, héroïne du surréalisme.

Hester Albach heeft een bijzonder boek geschreven, waarin ook haar eigen betrokkenheid bij het onderwerp alle aandacht krijgt. Met veel liefde en empathie tracht zij het leven van Léona Delcourt te reconstrueren, de jonge vrouw uit een dorp nabij Lille, die in Parijs ‘Nadja’ werd, maar die slechts ten dele samenviel met het tot mythe en symbool verheven personage in Bretons boek. Een ‘meisje van de straat’, ook in de figuurlijke zin van het woord: in ruil voor seks liet zij zich ‘beschermen’ door kapitaalkrachtige heren. Ook zou zij zich ooit hebben ingelaten met een door de politie onderschepte cocaïne-smokkel uit (ook toen al!) Nederland. Bij Breton komt dit alles terloops ter sprake, bij Hester Albach wordt het omstandig uit de doeken gedaan.

Het blijkt een treurige historie te zijn over een tienerzwangerschap, een verhuizing naar Parijs om de familie-eer te redden (het kind werd door de ouders opgevoed als het hunne) en de cocaïnesmokkel was een mislukte poging om het financiële afscheidsgeschenk van haar eerste ‘beschermer’ te verdubbelen. In dit morsige leven stapt opeens iemand als André Breton binnen, voor het eerst een man die haar met respect bejegent, haar zelfs bewondert. Hester Albach maakt aannemelijk dat Léonie haar best deed om aan zijn hooggestemde verwachtingen te voldoen, zoals zij dat altijd had gedaan bij haar heren. Vandaar de tekeningen en de brieven vol mythische symbolen en cryptische uitlatingen. Breton werd beloond met een echo van wat hij haar had bijgebracht.

Initiatie

Albach heeft de neiging om de krankzinnigheid van Nadja te relativeren. Via Nadja’s kleindochter (die zij heeft weten op te sporen) kreeg zij de beschikking over haar psychiatrische dossier en daaruit blijkt hoe uiteenlopend de diagnoses waren. Als zij niet zo arm en weerloos was geweest, had men haar waarschijnlijk nooit in het gekkenhuis opgesloten – levenslang, want toen Nadja in 1941 overleed zat zij nog altijd in een inrichting. Of Albach gelijk heeft, wie zal het zeggen.

Wat voor haar pleit is dat zij niet op een gratuite manier André Breton in de beklaagdenbank heeft gezet. Ook hij kan op haar empathie rekenen. Bijna letterlijk zelfs, wanneer zij zich inbeeldt hoe hij in Normandië de tekst van Nadja heeft geschreven – als een esoterische ‘initiatie’.

De onthulling van Nadja’s ware identiteit vormt de meest spectaculaire vondst in dit boek, maar de even eigenzinnige als originele interpretatie van Nadja mag er ook wezen. Hester Albach vat dit boek op als een – uiteindelijk mislukt – alchemistisch ‘groot werk’, met als doel te ontsnappen aan de aardse cyclus van leven en dood. Ziedaar het ‘geheim’, dat door haar wordt ontcijferd. Het klinkt als een wilde speculatie, ingegeven door de aanwezigheid van de ‘hermetische’ boeken in Bretons een paar jaar terug geveilde privé-bibliotheek en wellicht ook door een persoonlijke preoccupatie van de schrijfster.

Dat Breton warme belangstelling had voor hermetisme, kabbala en alchemie, valt niet te ontkennen; hij stond open voor alles wat de heerschappij van ratio en logica kon ondermijnen, maar of dit nu echt de inzet van Nadja is geweest, blijft wat mij betreft een open vraag. Wel slaagt Albach erin met haar interpretatie een van de meest raadselachtige passages in het boek te verklaren, zoals Philippe Noble in zijn voorwoord onderstreept.

Vlak voordat de ontmoeting met Nadja wordt verteld, beschrijft Breton hoe de toren van het kasteel van Ango, waar hij zit te schrijven, in de lucht springt: ‘…en een sneeuwbui van veren, afkomstig van zijn duiven, smelt zodra ze op de grond komt van de grote binnenplaats, die kort geleden verhard is met scherven van dakpannen en die nu overdekt is met echt bloed!’

Volgens Hester Albach heeft deze toren (die dienst deed als duiventil en waarvan een foto in het boek staat) de vorm van een alchemistisch vat. De ontploffing ervan kondigt dus het mislukken van het ‘grote werk’ aan. En dat ‘werk’ mislukt omdat Nadja toch niet de ware geliefde blijkt te zijn, zij bereidt die geliefde (die aan het slot extatisch wordt toegesproken) enkel voor. Het klinkt vergezocht, maar wie het niet met Albach eens is, zal op z’n minst met een betere verklaring moeten komen. Zelf heb ik vooralsnog niets weten te bedenken.