Geen who-dunnit, maar I did-it en I didn't-do-it

Désanne van Brederode schreef een roman over de slordigheden en mediaoorlogen rondom de Deventer moordzaak.

Werkt dat?

Geen moord in de recente Nederlandse geschiedenis heeft zo veel én tegelijkertijd zo weinig tot de verbeelding gesproken als de Deventer Moordzaak – dit weekeinde ruim tien jaar geleden. Zo veel wanneer je bedenkt dat velen zeker meenden te weten dat de voor de moord veroordeelde Ernest Louwes onschuldig was, en als martelaar van juridische dwalingen wordt vereerd. Die twee partijen doen de argumenten van de ander consequent af als losgeslagen fantasieën.

Zo weinig lokte de zaak uit bij mensen die van die verbeelding hun beroep hebben gemaakt: schrijvers. Het peloton Nederlandse thrillerauteurs heeft de zaak-Louwes tot nu toe links laten liggen. Pas deze week verscheen een eerste roman en dan nog wel uit de hoek van de reguliere literatuur: Désanne van Brederodes Door mijn schuld. In het boek doet een zekere Gunnar de Wit zijn verhaal, nadat hij heeft vastgezeten voor een moord. Algemeen wordt zijn veroordeling gezien als een juridische dwaling, maar hij weet beter: ‘Dit wordt geen whodunnit. Dit is een I-did-it’.

Van Brederode wil onderzoeken wat er gebeurt in het hoofd van een man die tegen iedereen volhoudt onschuldig veroordeeld te zijn, terwijl hij wéét dat hij wel schuldig is. In de hysterische polarisatie rondom de Deventer moordzaak is dat uitgangspunt alleen al een provocatie. Want moet je zo’n gedachte-experiment niet uitleggen als steun aan de veroordeling van Louwes? Als een poging om argumenten te verzamelen tegen zijn onschuld?

Ongetwijfeld ook om zich dienaangaande enigszins in te dekken heeft Van Brederode in haar roman ten minste zoveel verschillen als overeenkomsten met de Deventer zaak gestopt. Er is bij haar sprake van een man van onbesproken gedrag, een grote erfenis, onenigheid over bloedsporen, een ándere verdachte en een door een buitenstaander aangezwengelde mediacampagne om het vermeende onrecht te keren: de rol van opiniepeiler Maurice de Hond wordt bij haar vervuld door de fictieve schrijver Constant Verwoerd.

Maar de verschillen zijn minstens even groot: Van Brederodes verteller is geen accountant maar een meubelverkoper uit een gezin van intellectuelen, zijn slachtoffer is geen rijke weduwe maar een rijke vriend, hij steekt niet maar gooit een steen.

De roman van Van Brederode is interessant in samenhang met Schuldig, het op 22 april dit jaar, de dag van zijn vrijlating, verschenen boek van Ernest Louwes over zijn leven nadat op 25 september 1999 het lichaam van Wittenberg werd gevonden. Afhankelijk van je standpunt in de Deventer twisten kun je het zien als de non-fictie bij de fictie van Van Brederode, of als meer fictie – de fictie van een moordenaar. Het moge duidelijk zijn dat het boek van Louwes geen I-did-it is, maar een I-did-not-do-it.

Overigens maken geen van beide boeken het de lezer erg gemakkelijk. Bij Door mijn schuld ligt dat aan de oeverloosheid die het werk van Van Brederode toch al kenmerkt. Ze waaiert eindeloos uit bij het vertellen van het verhaal: naar talkshows op televisie, intellectuelen uit Amsterdam-Zuid, Zweden, mystiek, existentiële eenzaamheid, bevrijdingstheologie, populisme en het multiculturele drama zonder dat het echt scherpzinnig wil worden.

Ook interessante thema’s die ze aansnijdt (schaamte, intellectualisme als verplichting) sneeuwen daardoor onder. Bij alle elementen in het verhaal kun je je wel voorstellen dat ze in de roman zijn beland – overal zit een idee achter en veel grijpt op een bepaalde manier in elkaar – maar er zijn ook redenen om te schrappen over het hoofd gezien. Zelfs bekruipt je iets vóór de helft, wanneer een zeer sterk beschreven politieverhoor van Gunnar de Wit begint, het gevoel dat met het oog op tempo en spanning de voorgaande 140 bladzijden waarschijnlijk het best in hun geheel verwijderd hadden kunnen worden.

Schuldig maakt het de lezer op geheel andere wijze lastig. Louwes is geen geoefend auteur. Dat leidt tot verschrijvingen die iets kolderieks hebben, zoals die waarbij hij deskundigen bedankt die ‘hun professionele integriteit op het spel wilden zetten om in de rechtzaal vraagtekens te plaatsen bij vele missers van politie en justitie.’ Ongetwijfeld bedoelt Louwes hier níét dat de betrokkenen om zijnentwil hebben gelogen, maar dat staat er wel.

Lastiger is de onnoemelijke hoeveelheid details die hij over de lezer uitstort. Die hebben voor de Deventer-watcher allemaal hun betekenis, maar een argeloze lezer raakt al snel de weg kwijt.

Het omslachtig vertellen en ingaan op details wekken de indruk dat het gaat om smoesjes, waar in dit geval dadelijk uit volgt dat Louwes de moord dus wel gepleegd zal hebben.

Dat is een drogreden, maar een drogreden die typerend is voor de wijze waarop je het boek van Louwes leest: als een detective, bezig in een boek dat de waarheid over de moord zou moeten bevatten. Een boek dat je de illusie geeft slimmer te kunnen zijn dan alle anderen die zich op de schuldvraag hebben stukgebeten. Dus zet je een streepje wanneer Louwes melding maakt van het feit dat er eigenlijk nauwelijks nabestaanden van het slachtoffer zijn. Rechtvaardigt hij hier de moord?

Die impuls, het verlangen om de sleutel tot de waarheid te ontdekken waar iedereen gefaald heeft, maakt het lezen van Louwes’ boek ondanks alle hindernissen fascinerend.

Interessanter dan de schuldvraag – voor zover die niet al afdoende door de rechter is beantwoord – is de obsessionele collectieve omgang met de zaak, het verlangen om de puzzelstukjes aaneen te leggen en de wereld zo weer begrijpelijk te maken. Dat is waar het de twee partijen in de Deventer moordzaak om te doen is. Ze bestoken elkaar met verhalen in de hoop er één te vinden die voor een bevredigende waarheid kan doorgaan.

Met die collectieve gedachte belanden we weer bij de roman van Van Brederode. Want ook die lees je met de verwachting dat je uitsluitsel krijgt, dat je aan het eind weet waarom Gunnar de Wit een steen naar het hoofd van zijn vriend gooide. Ergens denk je dat ook deze figuur zich zal verraden, dat er iets groters achter zijn moordenaarschap schuilt.

Dat de aard van de mens uiteindelijk onkenbaar is, is uiteindelijk de portee van Van Brederodes roman. En ook dat sociale druk – zeker wanneer die van de massamedia komt – het bijna onmogelijk maakt om contact met jezelf te houden, om je zelfkennis en je identiteit te verdedigen tegen de oordelen en de druk van buitenaf.

Dat gegeven maakt ook het boek van Louwes aangrijpend. De dolle paniek die hem sinds zijn arrestatie moet hebben bevangen, lijkt zich met alle beschuldigingen en steunbetuigingen alleen maar uitgebreid te hebben. Die paniek uit zich in de structuurloosheid, de karrevracht aan kleinigheden die hij op zijn lezers afvuurt: bij elke justitiële slordigheid, bij elk halfslachtig onderzoek hoor je de auteur denken: misschien dat dít de doorslag geeft, dat ze me nú dan eindelijk geloven. En omdat de hele wereld met hem meekijkt, kan hij niet meer voor- of achteruit.

Omringd door voor- en tegenstanders, door oprechte opportunisten en profiteurs: hij is de gevangene van zijn verhaal geworden. Dat is pijnlijk om te lezen, helemaal los van de vraag of hij dat allemaal zelf in gang heeft gezet op een herfstavond in Deventer.

Désanne van Brederode: Door mijn schuld. Querido, 360 blz. € 22,95

Ernest Louwes: Schuldig.Mijn verhaal over de Deventer moordzaak. Kosmos, 189 blz. € 16,95