Fatsoenlijke bank

‘Het kan een buitengewoon fatsoenlijke bank w…blijven’”, zei Robin Linschoten gisteravond in Pauw & Witteman.

Een verrukkelijke verspreking van dit ambitieuze bestuurslid van de DSB Bank, dat zo vlezig op de kaken begint te worden. Hij was in de tv-studio’s een van de twee buiksprekers van directeur Dirk Scheringa, die zich nergens liet zien – te druk met zijn voetbalploegje dat er ook al niets meer van bakt. De andere buikspreker heette Hans van Goor, een bleke nerveuze man die van Twan Huys de studio pas mocht verlaten nadat hij zijn fouten had erkend en zijn excuses aangeboden. Hij deed het ook nog.

Het DSB-imperium kraakt tot in zijn botten, zoveel is duidelijk. Gerrit Zalm en Frank de Grave zijn er net op tijd weggegaan, het zou hen sieren als ze ons eens uitlegden waarom ze – vooral De Grave – zoveel haast hadden. Gelukkig voor Scheringa zijn Linschoten en Ed Nijpels gebleven – elke beroemde VVD’er is in Wognum welkom zolang hij niet al te lastige vragen stelt. Het begon nogal stil rond Scheringa te worden doordat allerlei stafleden opeens een goed heenkomen zochten. Interessant was de verdedigingslinie die Linschoten en Van Goor in allerijl hadden opgebouwd voor ze de tv-studio betraden. Beken schuld, geef je zonden toe, maar voeg er stelselmatig aan toe: dit was het verleden, daar hebben we een streep onder gezet, sinds twee jaar hebben we het roer omgegooid en w…blijven we een fatsoenlijke bank.

Sinds twee jaar? Dan kan ik opgelucht ademhalen. Toen verrichtte ik een dienst voor Scheringa: ik opende een tentoonstelling van mijn favoriete schilder Jan Mankes in zijn museum. Dirk was zelf niet aanwezig, die hoopte die dag in Rotterdam met AZ kampioen te worden – wat net niet lukte.

Mij viel toen op dat praktisch iedereen die in dat museum rondliep, zich belangeloos inzette: het wemelde er van de vrijwilligers. Dat gaf iets sympathieks aan de hele onderneming, je kon merken dat men Scheringa een goed hart toedroeg.

In feite was ik die dag zelf ook een soort vrijwilliger, want mijn honorarium bestond uit een krentenbrood van Bakkerij De Korenschoof, ‘de bakker van de hoek te Spanbroek’.

Ik geef toe dat we daarmee al kunnen spreken van een schijn van belangenverstrengeling, maar net als Ab Osterhaus kan ik me hier nog wel uit redden.

We deden het allemaal voor de kunst!

Wél is het een beetje wrang dat we achteraf moeten vaststellen dat Dirk zijn imperium, inclusief dat museum met zijn prachtige Mankessen en Willinks en die voetbalclub met de minstens zo kostbare Van Gaalen en Koemannen, grotendeels heeft opgebouwd met de centjes van armlastige mensen die het vel over de oren werd getrokken met zinloze koopsompolissen.

Als Dirk een vent is, treedt hij binnenkort hoogstpersoonlijk naar voren om in een interview met liefst Twan Huys uit de doeken te doen hoe hij dat allemaal geflikt heeft. Hij kan zich niet blijven verschuilen achter Linschoten, Van Goor en die rare Klaas Wilting, die het niets uitmaakt wiens praatjes hij verkoopt, als het maar iets meer oplevert dan een krentenbrood van Bakkerij De Korenschoof.

Met een waardig optreden kan Dirk er misschien toch nog voor zorgen dat zijn bank fatsoenlijk w…blijft.