Een op de zes slachtoffers is nog in leven

In de zwaar getroffen stad Padang wordt lijk na lijk onder het puin vandaan gehaald. De 24-jarige Gita had geluk, al moet zij een been missen.

In de hal van het M. Djamil-ziekenhuis in Padang hangen de plafondplaten los en is de grond bezaaid met puin. Toch liggen er patiënten. Hier worden enkele van de zwaarst gewonden behandeld van de aardbeving, die de Indonesische kuststad woensdagmiddag trof.

Zoals de 24-jarige Gita Morella, die aan het werk was in een bekende elektronicawinkel in de hevig getroffen Chinese wijk. „Ze heeft vijftien uur onder het puin gelegen”, vertelt haar vader. Toen ze gered werd, was ze bij bewustzijn, maar haar linkerbeen werd bekneld door een stuk beton. Het kan niet meer gered worden, fluisteren de verpleegsters. Haar vader wordt weggeroepen, hij moet tekenen voor de amputatie.

Toch had Morella nog geluk: enkele van haar vijfentwintig collega’s staan op de lijst met overleden slachtoffers, bij de overdekte tent waar de geborgen lichamen liggen. In gele zakken wachten ze tot familie hen ophaalt, om hen volgens de islamitische traditie zo snel mogelijk te begraven. De meeste lichamen zijn al opgehaald. Maar er blijven nieuwe lijken komen, want in de stad zijn reddingswerkers nog aan het zoeken naar slachtoffers.

Drie dagen nadat een aardbeving van 7,6 op de schaal van Richter plaatsvond, ongeveer 70 kilometer uit de kust van het eiland Sumatra, zijn de zoekactiviteiten nog in volle gang. Een speciaal team uit Zwitserland met speurhonden is vanochtend ingevlogen. „Het is pas de derde dag, we kunnen nog overlevenden vinden”, zegt een rampenexpert van de Indonesische politie. Volgens Priyadi Kardono, hoofd informatie en data van het Indonesische rampencentrum, was gisteren een op de zes gevonden slachtoffers nog in leven.

Hoewel in het district Pariaman de meeste huizen zijn ingestort, is het aantal slachtoffers het grootst in de stad Padang, waar 900.000 mensen wonen. Dat komt deels doordat de huizen in de dorpjes van Pariaman veelal van hout zijn en geen verdiepingen hebben. „Uit zulke huizen kunnen mensen makkelijker wegrennen”, zegt Kardono. „Het zijn de grote gebouwen in Padang waar de meeste doden zijn gevallen.”

Een van de zwaarst getroffen locaties is het koloniale Ambacang Hotel, een mooi opgeknapt gebouw uit de Nederlandse tijd. Maar nu is de witgepleisterde voorgevel eruit gevallen en die heeft de auto’s die voor het hotel stonden, bedolven. De planten op de relingen van de balkons zijn blijven staan.

Naast het deel van het hotel dat nog herkenbaar is, ligt nu een grote berg stenen, hout en glas. Een bulldozer ruimt het puin, want eronder liggen nog mensen. Misschien wel veertig, fluisteren omstanders. Woensdag namen zo’n honderddertig mensen in het hotel deel aan bijeenkomsten van het ministerie van Visserij en van verzekeraar Prudential.

Ook bij de Lbpp-Lia school wordt nog gezocht naar slachtoffers. Maar hier met de hand, want wie weet leven ze nog? Op deze privéschool, waar welgestelde kinderen in de middag- en avonduren Engels leerden, deden woensdag zestig leerlingen hun laatste examen. Tot kwart over vijf, toen de aardbeving begon.

Nu kijken honderden stadsgenoten hoe militairen een gele lijkzak uit het puin wegdragen, de vijfde leerling tot nu toe. Klapstoeltjes, computers, tafels: alles ligt door elkaar op de grote hoop puin voor het schoolgebouw. De gevel ligt er ook hier uit, zodat je in de kleine, licht-geel geverfde kamers naar binnen kunt kijken.

Lerares Nurmalina barst in huilen uit als ze komt aanlopen. Ze gaf ergens anders les toen het gebeurde. „Een paar van mijn collega’s zijn vanochtend onder het puin vandaan gehaald en liggen in het ziekenhuis. Maar ik weet niet hoeveel er nog gevonden zullen worden.”

Reddingswerkers hebben op het moment vooral zwaar materieel nodig om het puin weg te ruimen en slachtoffers te bevrijden – levend of dood. De hulpverlening aan gewonden is onder controle, zegt Gede Yogadhita van de Wereldgezondheidsorganisatie van de Verenigde Naties, die als contactpersoon fungeert tussen Indonesische en buitenlandse hulpverleners. Het gezondheidspersoneel heeft geen problemen, en tot nu toe lijken er volgens hem genoeg voorraden te zijn.

Voor het M. Djamil-ziekenhuis worden vele tientallen aardbevingsslachtoffers in legertenten verpleegd. Familieleden wuiven hen met stukken karton koelte toe. Bij een aantal is al benen afgezet. Een man met schaafwonden op zijn gezicht roept verwarde dingen, naar niemand in het bijzonder. „Hij is net binnengebracht en heeft lang onder het puin gelegen”, zegt een andere patiënt. „Hij is nog in shock.”

Een meisje van tweeënhalf wordt verzorgd door haar oma. Haar moeder hield haar in haar armen toen ze naar buiten rende, vertelt een medepatiënt. Maar zij kreeg brokstukken van haar huis op haar hoofd en overleed ter plekke. Haar dochtertje schoot uit haar armen en overleefde.

Hier ligt ook Levi Elfian van het eiland Kalimantan, die bij zijn ouders op bezoek was om het Suikerfeest, aan het eind van de islamitische vastenmaand, te vieren. Toen de aardbeving begon, stortte hun huis in voor ze konden rennen. Hij raakte bekneld en moest toezien hoe zijn ouders bedolven werden onder het stof en de stenen. Toen buren hen hadden bevrijd, waren zijn ouders al gestikt. „Ik droeg ze naar buiten, maar ze bewogen niet meer.” Hij is alleen, zijn arm zit in het gips. Zijn vrouw in Kalimantan weet nog van niets, want mobiele communicatie in Padang is uitgevallen, net als de elektriciteit.

Beelden van de schade in Sumatra op nrc.nl/foto