Een adembenemend egotisme

Wat een onzekere jeugd vermag blijkt uit de de autobiografie die historicus Pieter Geyl tijdens de Bezetting schreef. Ook collega Huizinga moest het bezuren.

Pieter Geyl: Ik die zo weinig in mijn verleden leef. Autobiografie 1887-1940. Bezorgd door Wim Berkelaar, Leen Dorsman, Pieter van Hees. Wereldbibliotheek, 484 blz. € 34,90

Op Oudejaarsdag 1966 overleed Pieter Geyl, toen Nederlands bekendste historicus, die na de oorlog wereldfaam had gekregen door zijn debatten met de groten uit het vak, of ze nu nog leefden zoals Toynbee en Romein, of al lang dood waren zoals Ranke, Macaulay en Michelet. Behalve een definitie van geschiedenis als ‘discussie zonder eind’ en een omvangrijk oeuvre, liet Geyl ook een groot archief na. Het pièce de résistance daaruit is misschien wel deze autobiografie die hij schreef tijdens zijn internering in de oorlog. Hoewel zeker bedoeld voor publicatie, bevat deze zoveel intieme bijzonderheden dat men gewacht heeft met de uitgave, tot tien jaar na de dood van zijn beide kinderen.

Dat Geyl niet bij geschiedenis alleen leefde, blijkt haast op elke bladzij. Bovendien werd de eerste helft van zijn leven getekend door tragiek die diepe sporen heeft nagelaten: de psychiatrische geschiedenissen van zijn vader en van zijn eerste vrouw Corrie, die beiden zelfmoord pleegden.

De autobiografie geeft ons maar de halve Geyl, van 1887 tot 1940: jeugd en studententijd, het correspondentschap van de NRC in Londen en zijn professoraat aldaar, bij elkaar 22 jaar Londense ‘ballingschap’. En daarna het begin van zijn Utrechtse hoogleraarschap. Dan volgt de oorlog met drieënhalf jaar internering in Buchenwald, Haaren en St. Michielsgestel, maar die periode wordt niet beschreven.

We plegen de naoorlogse Geyl te onderscheiden van de hier geschetste. Zijn belangstelling verschuift en wordt minder parochiaal, maar allerlei lijnen lopen toch door. Geyl is zeker zichzelf gebleven. Zijn manier van geschiedenis bedrijven blijft onlosmakelijk verbonden met zijn zin voor debat en polemiek.

De autobiografie staat vol rake typeringen en toneeltjes. Geyl heeft het boek uit het hoofd geschreven, zonder toegang tot zijn archief. We horen hem hardop denken, koketterend met zijn slechte geheugen. Maar voor een historicus is dat misschien wel een voordeel. Het boek lijdt niet aan het euvel van veel autobiografieën: de bestudeerde zelfrechtvaardiging achteraf.

Geyl is een ijdeltuit en wil dat weten ook. Zijn egotisme is soms adembenemend. De onzekerheden van zijn jeugd brengen mee dat hij zichzelf overschreeuwt maar ook steeds behoefte heeft aan bevestiging en erkenning, of het nu gaat om vakgenoten of om vrouwen. Hier vallen de mens en de historicus samen.

Eén aspect van zijn leven dat we tot dusver alleen bij gerucht kenden, krijgt in deze autobiografie veel aandacht: Geyl als gedreven vrouwenjager. Hij schrijft over zijn ‘hunkering naar andere vrouwen, naar echte liefde, naar avontuur’. Willen we dat allemaal weten? Het punt is uiteraard dat Geyl zelf vindt dat we dat moeten weten. De uitgebreide boekhouding van zijn ‘afdwalingen’ heeft ook iets opschepperigs.

Geyl kan zich nauwelijks voorstellen dat een vrouw niet voor hem wil vallen. Wie weerstand biedt kan hier zelfs rekenen op een eervolle vermelding. De actrice Hilda bijvoorbeeld die hij, ondanks talloze wandelingen in Hyde Park, niet in bed krijgt. Of Peggy, de Ierse verpleegster opgepikt in de bioscoop, met haar steile gevoel voor kuisheid. ‘Wat een leven! Hoe vond ik nog tijd voor werk?’ kraait hij hanig. En dan de verhouding met huishoudster Aafje die hij ‘moet dwingen’ tot een seksuele relatie en met wie hij downstairs een alternatief huwelijk heeft. Samen maken ze zorgeloze busritten naar de uithoeken van Londen. Maar Aafje wordt onbekommerd gedumpt bij Geyls tweede huwelijk (1934); ze mag de meubelen uit het Londense huis meenemen.

Als student begrijpt Geyl al dat de geschiedenis een eigen, niet-logische logica kent. De veelvormigheid van het leven laat zich niet in schema’s en theorieën vatten, schrijft hij in 1912. Die grondstelling komt in vele variaties terug. Het hoeft in de geschiedenis niet altijd te kloppen, het wringt juist. En het is aan de historicus die ongerijmdheden en contradicties bloot te leggen. Hoewel van nature een Verlichtingsoptimist leert Geyl luisteren naar anderen die de slechtheid van de mens doorzien, zoals de vrouw van zijn vriend P.N. van Eyck (met wie hij ook een affaire heeft) of zijn zwartgallige tegenpool Gerretson.

Geyl is in de vroege 20ste eeuw in de ban geraakt van een romantisch taalnationalisme. Hij dankt zijn eerbied voor schoonheid, literatuur en kunst aan oude jaargangen van De Nieuwe Gids maar beseft dat schoonheid alleen niet voldoende is. Hij zoekt naar een zinvol verband tussen kunst en maatschappelijk engagement. Bijna lijfelijk verzet hij zich tegen het dominante Oranjenationalisme van die jaren, de doorwerking van de Oranjehype van 1898. Als Haagse schooljongen weigert hij zijn pet af te nemen voor koningin Wilhelmina. ‘Ik werd helemaal stijf van ontzetting als ik een hofrijtuig zag aankomen, maar ik liep stug voorbij: een geweldige manifestatie!’ Hij is daarentegen wel bereid het echte gezag te groeten in de persoon van minister Lely, als hij die op straat tegenkomt. De anti-orangistische teneur van zijn werk zal hem later nog lelijk opbreken als koningin Wilhelmina in 1935 om die reden zijn benoeming tot hoogleraar in Utrecht maandenlang blokkeert.

De jonge Geyl zoekt een alternatief kader voor zijn romantisch-nationale sentimenten. Dat vindt hij in Groot-Nederland, de taaleenheid van Nederland en Vlaanderen. De grote Belgische historicus Henri Pirenne wordt zijn natuurlijke vijand, want die heeft met zijn meeslepende Histoire de Belgique haast eigenhandig de Belgische natie gecreëerd. Geyl probeert zowel die mythe door te prikken als Pirennes kunststuk te evenaren met zijn eigen, niet minder mythische Grootnederlandse geschiedschrijving.

Er is nog een andere historicus met wie hij nooit goed raad weet: Johan Huizinga. Uit de autobiografie spreekt Geyls moeizame respect voor hem, een zekere onderdanigheid zelfs, maar vooral ook een diepe behoefte door de grote man erkend te worden. Wikkend en wegend komt hij tot de typering: ‘als historicus, hoe kostbaar zijn verschijning ook blijft, enigszins onbevredigend: geestig hier en fijn daar, en raak, en vernuftig, en bijzonder, maar waar blijven de grote werken, waar de vruchtbare nieuwe gedachten?’ Geyl beseft dat beider temperamenten niet helemaal kloppen. Bij Huizinga bespeurt hij altijd ‘een zekere stroefheid die vermoedelijk betekende dat ik hem niet echt interesseerde’. Het duurt dan nog eens twintig jaar voor Geyl klaar is met Huizinga. Zijn Akademierede Huizinga als aanklager van zijn tijd (1961) is een afrekening. Ogenschijnlijk gaat die rede over Huizinga’s defaitisme en cultuurpessimisme in de jaren dertig, over zijn vermeende gebrek aan ruggegraat. Maar Geyl lijkt Huizinga ook aan te klagen omdat die hem nooit de erkenning gaf, vindt hij zelf, die hem domweg toekwam.