De Quote 500 van de literatuur

De rijken hebben de Quote 500, de muzikanten hebben de Top 2000 aller tijden en de schrijvers hebben de Boekenbon. De regelmatige verversing van het ontwerp van Nederlands enige literaire betaalmiddel, is het moment waarop de waarde van de Nederlandse schrijvers weer voor jaren wordt vastgelegd.

Zo werd in 2001 W.F. Hermans slechts goed genoeg bevonden voor de bon van 5 euro, minder dan Campert (10 euro), Haasse (12,50 euro), Mulisch (20 euro), Schmidt (25 euro) en opperbonner Gerard Reve, die 40 euro waard was. Vijf jaar eerder was de toppositie voor Gerrit Achterberg (100 gulden).

Later werd Reve verplaatst naar een nieuwe 15-eurobon. Dinsdag werden de nieuwe modellen gepresenteerd, door Jaap Drupsteen in ouderwetse guldenstijl ontworpen. Bovenaan staat nu Cees Nooteboom, goed voor 25 euro (wie er Rituelen voor koopt heeft nog een tientje over) en dat is meteen het enige onomstreden punt van de lijst.

Want waarom is Hugo Claus (aan de hand van een zeer versleten foto geportretteerd, trouwens) slechts 5 euro waard? Toch niet omdat de Belgen – voor het eerst toegelaten tot het walhalla van de boekenbon – onderaan moeten beginnen? En vast ook niet omdat Claus even goed is als Hermans, de vorige 5-euroman. Het vreemdst is dat er bij de selectie van de schrijvers zo nadrukkelijk is gekozen voor het brave middenkader van het literaire bedrijf – zowel in commerciële als in literaire zin. Wolkers (€ 7,50) is his own man, maar waarom (in oplopende waarde) vervolgens Noordervliet, Japin, Palmen en Van Dis? Wilden Brouwers, Rosenboom, Van der Heijden en Grunberg niet? Eiste Charlotte Mutsaers dat de bon zelf mocht ontwerpen?

De boodschap is duidelijk. Connie Palmen (‘dit is de Nobelprijs van de Nederlandse literaire parafernalia’) mag de bon boven haar bed hangen, alle andere Nederlanders moeten hun boekenbonnen zo snel mogelijk weer inleveren.