De kunst van wachten

De wereldeconomie lijkt de weg omhoog te hebben gevonden, zo meldde het Internationaal Monetair Fonds (IMF) gisteren. Dat werpt de vraag op wanneer en hoe overheden en centrale banken moeten stoppen met de steunmaatregelen die het wegglijden van de economie en een nog diepere recessie hebben voorkomen.

Door die maatregelen zijn rentes verlaagd tot nagenoeg 0 procent en heeft de bancaire sector toegang tot een vrijwel onbeperkte hoeveelheid geld om het systeem draaiende te houden. Overheden hebben banken genationaliseerd, financiële steun gegeven en hun eigen begrotingstekorten laten oplopen, of de vraag zelfs extra gestimuleerd met uitgaven.

Deze lange lijst illustreert dat het herstel van de economie en de financiële sector in hoge mate kunstmatig is. De vraag is of het systeem weer op eigen benen kan staan. Voorlopig moet het antwoord ontkennend zijn. Het herstel is daar te jong en te fragiel voor. Tegenover tekenen dat het beter gaat, staan regelmatig berichten over verdere verslechtering. De beurskoersen fluctueren dagelijks tussen de hoop op betere tijden en de angst voor een nieuwe terugslag. De oplopende werkloosheid en de krappe kredietverlening wegen zwaar.

Overheden en centrale banken staan voor een uiterst precaire afweging. Te lang doorgaan met stimuleren, is gevaarlijk. Dat kan inflatie opleveren of mede leiden tot het blazen van een volgende zeepbel, met later nog ernstigere gevolgen. En de overheidsschulden lopen sterk al op, hetgeen een oplopende rente kan veroorzaken, die het aflossen daarvan alleen maar moeilijker maakt.

Anderzijds mogen de prikkels ook niet te vroeg worden weggenomen. Beter is het te wachten tot de conjunctuur de juiste ontsnappingssnelheid heeft bereikt, dus niet sputtert om daarna omlaag te duikelen. Een tweede ronde van stimuleringsmaatregelen zou de overheidsfinanciën nog verder doen verslechteren dan nu ze nu al zijn.

Dit betekent, en dat onderstreept het IMF ook terecht, dat overheden nog een tijd op hun handen zullen moeten zitten, maar wel een strategie moeten formuleren die het geloofwaardig maakt dat er in de toekomst schoon schip wordt gemaakt. Ook de G20, de groep van belangrijkste landen in de wereldeconomie, nam vorige week deze positie in.

Deze houding komt redelijk overeen met wat het Nederlandse kabinet tot dusverre doet. Kritiek daarop is makkelijk. Voor de bühne mag een verwijt van een gebrek aan daadkracht aardig klinken, maar daadkracht is op dit moment in wezen juist de grootste vijand van het betere.

Er zal een samenhangend en rigoureus plan moeten komen om te snoeien in de overheidsfinanciën. Maar aangezien met de uitvoering daarvan nog moet worden gewacht en de omvang van de noodzakelijke bezuinigingen nog onduidelijk is, kan het kabinet voor het opstellen van dat plan de tijd uittrekken die zo’n ingrijpende operatie verdient. Al had het dat de afgelopen weken wel wat beter aan het publiek kunnen uitleggen.