De afschaffing van luxe zal het leed verzachten

Arthur Schopenhauer: Wat beschaving heet. Over recht, moraal en maatschappij. Vertaald en ingeleid door Hans Driessen.Wereldbibliotheek, 127 blz. € 12,50

Dat Arthur Schopenhauer bekend staat als een onverbeterlijk pessimist is niet in de laatste plaats te wijten aan zijn plompe oprechtheid. Hij gaf af op alles wat hem niet zinde. Ook in Wat beschaving heet, over recht, moraal en maatschappij, alweer het vijfde deel van de heruitgave van zijn Parerga en Paralipomena door Wereldbibliotheek, zal een ieder die dat wil aanleiding vinden om zich vreselijk op te winden.

Het essay over vrouwen mag wat dit betreft exemplarisch genoemd worden. Schopenhauer hield er zijn reputatie als vrouwenhater aan over. ‘De fundamentele fout van het vrouwelijk karakter is het gebrek aan rechtvaardigheid. Deze fout is in de eerste plaats te wijten aan het genoemde gebrek aan verstand en wordt nog versterkt door het feit dat vrouwen, als de zwakkere schepselen die zij zijn, van nature niet zijn aangewezen op kracht, maar op list. Vandaar hun instinctieve geslepenheid en hun onuitroeibare zucht tot liegen.’

Toch moet Schopenhauer geen vrouwenhater worden genoemd, hij heeft eerder een nogal rechtlijnige opvatting van rechtvaardigheid. Dezelfde vrouwelijke empathie die hun het strenge oordelen belet, maakt hen ook superieur als het gaat om gemeenschapszin, zorg en compassie. Schopenhauer noemt het raadzaam om vrouwen te raadplegen in ‘moeilijke kwesties’ omdat zij ‘het meest voor de hand liggende in het oog houden’. En hij roemt hun aanleg voor compassie en hun superioriteit als het gaat om gemeenschapszin en zorg. Filosofisch is dit zijn zwakste essay; het is te zeer gekleurd door zijn tijd en daar waar hij aanbevelingen doet, bijvoorbeeld dat iedere vrouw onder voogdij zou moeten staan, haak ik af. Maar toch is het verfrissend om zijn psychologische inzichten aangaande de vrouw te lezen.

Daarnaast krijgen in deze bundel zoals gebruikelijk, Duitse filosofieprofessoren, het volk, Joden, christenen, Britten, demagogen en de mens in het algemeen er flink van langs, hoewel de snijdende kritiek vaak gepaard gaat met lof en zelfs bewondering.

Het sterkste essay is dat over de ethiek, zijn eigenlijke specialisme. In dit essay laat hij zien dat het menselijke egoïsme gemakkelijk rationeel te onderbouwen is, maar dat de ethiek, geboren uit compassie, waarlijk metafysisch van aard is. Wie de mystieke formule tat twam asi, dit zijt gij, begrijpt, kan zichzelf herkennen in een ander en vatbaar worden voor mededogen. Dat dit voor mensen niet gemakkelijk is, bewijst voor Schopenhauer de ‘ten hemel schreiende slavernij’ in Noord-Amerika die hem tot tranen bracht. ‘Alles wat de lezer over wreedheid heeft gehoord [...] zal hem onbeduidend voorkomen als hij leest hoe die duivels in mensengedaante, die bigotte, kerkse, streng de zondagsheiliging betrachtende schurken, vooral ook de anglicaanse papen onder hen, hun onschuldige zwarte broeders behandelen die door onrecht en geweld in hun duivelsklauwen zijn gevallen.’ De logica van deze ‘schandvlek op de menselijke soort’ vindt zijn oorsprong in de luxe, die hij in zijn essay over politiek bespreekt.

Wie denkt niet aan zichzelf verrijkende bankiers en managers wanneer Schopenhauer schrijft: ‘Zolang er aan de ene kant luxe is, moet er aan de andere kant noodzakelijkerwijs een overmaat van werk en ellende zijn; [...] terugdringen, beter nog, het afschaffen van de luxe zou dus het doeltreffendste middel zijn om het leed van de mensheid te verzachten.’

Met dergelijke tirades tegen het onrecht en het lijden, bewijst de aartschagrijn Schopenhauer de filosoof van de compassie te zijn, die juist in zijn zoektocht naar het mededogen keer op keer stuit op de menselijke wreedheid om uiteindelijk uit te komen bij de hond. ‘Waar zou men op verhaal kunnen komen van de eindeloze veinzerij, valsheid en boosaardigheid van de mensen, als er geen honden waren, in de gezichten waarvan men zonder wantrouwen kan kijken.’