Bosbranden

Terwijl ik door het bos fietste, werd ik overvallen door de gedachte dat ik me door mijn jeugd bewoog. „Mijn jeugd?” zei ik van schrik hardop. Zo oud was ik blijkbaar geworden. Tegelijkertijd begon het te waaien in mijn hoofd van de mogelijkheden. Door mijn jeugd niet te vergelijken met, maar gelijk te stellen aan een bos, kon ik me erin voortbewegen. Ik kon voor- en achteruit fietsen in mijn verleden.

De manier waarop mijn verleden tot leven was gekomen, deed me denken aan een tekening en een foto van Pauline Oltheten (1982), die ik zag bij Galerie Fons Welters in de tentoonstelling ‘One moment, it’s really beautiful!’ Onder een foto van een man die een boek leest, hangt een tekening waarop te zien is hoe de gedachten van de lezende man uit bladzijden bestaan. Hij kan bladeren in zijn gedachten als in het boek dat hij in handen heeft.

Vanaf mijn dertiende heb ik vaak door de bossen van Bergen en Schoorl gefietst. Ik genoot ervan dat ik de paden ken, dat ik weet welke route ik het beste kan nemen om bij zee te komen. Ik stopte om op een bankje te gaan zitten waar een jongen ooit mijn naam in kraste. MARIA kon ik er nog in herkennen, al is er later MARIANNE van gemaakt. Ik schoof zenuwachtig heen en weer. Ik keek uit over de weilanden die aan het bos grenzen en zag de weg vanaf mijn ouderlijk huis richting Bergen, waar ik naar school ging.

Toen ik opstond, om een boom aan te raken waar ik wel eens afsprak met vriendinnen, wist ik dat de tijd stil kan blijven staan. Elk moment konden mijn schoolvriendinnen verschijnen. Ik hoorde ze giechelen. Ik werd door dit geluid meteen genezen van de heimwee die ik kortstondig had gevoeld naar voorbije jaren. Ik voelde de nervositeit van mijn kinderjaren, waarin je nooit zeker wist of het gegiechel misschien door jou was opgewekt. Ik was opgelucht dat ik het bos van mijn jeugd kon verlaten.

Ik had me voorgenomen er nooit meer te komen, totdat mij het nieuws bereikte dat het gebied van mijn jeugd verwoest is door bosbranden.

Gisteravond fietste ik de Kerkelaan in Bergen uit, het bos in. Rechts van de vijfsprong bereikte ik een koolzwart gebied. Het werd al donker.

Het duinlandschap ziet eruit als een zwart-witfoto die hier en daar door iemand met de hand is ingekleurd. Ik zie de resten van een struikje. Zwarte takken met nog wat besjes eraan. Een enkel besje is rood, de rest verkoold door het vuur. Gespleten zwarte takken liggen in de as.

Omdat ik geen licht op mijn fiets had, moest ik opschieten. Ik wilde niet door een inktzwart bos mijn weg naar de bewoonde wereld moeten zoeken. Ik zette mijn fiets tegen een verkoold hekje. Met stevige pas ging ik de duinen in.

In dit aslandschap kende ik de weg niet meer. Enkele sprietjes en een struik daargelaten, was alles verpulverd, verbrand of door de vlammen geblakerd.

Hoe grimmig dit landschap ook was, toch voelde ik een zekere opluchting dat alles nu opnieuw ingevuld kan worden. Het was alsof ik op leeg papier stond, bezaaid met houtskool.

Alles aan dit landschap wilde getekend worden. Ik raapte enorme brokken en staven houtskool om mee naar huis te nemen. De as die ik aanraakte was nog warm.

Met een landschap van houtskool in mijn hoofd fietste ik een toekomst tegemoet.