Bij elke dode een grap

Bij De Nederlandse Opera maakt regisseur Deborah Warner van Purcells opera ‘Dido and Aeneas’ een mix van barok en eigentijds muziektheater.

Drie uur heeft ze geslapen, dus koffie: yes, please. „En kunnen we snel weg uit deze zaal? Het geluid van de klavecimbelstemmer maakt me gek.” Net als dirigent William Christie (64) is regisseur Deborah Warner (50) net aangekomen in de Amsterdamse Stadsschouwburg om de laatste hand te leggen aan de repetities voor Purcells opera Dido and Aeneas, een productie die eerder al te zien was in Wenen en Parijs. Ze vraagt zich hardop af of ook haar hoofd de oversteek van Londen naar Amsterdam al heeft gemaakt. Deze vrijdagavond gaat bij het Royal National Theatre óók haar nieuwe regie van Brechts Mutter Courage in première. „Het voelt uitermate onnatuurlijk daar niet bij te zijn”, zucht ze. „Ik ga straks bij wijze van ‘toi-toi-toi’ maar tachtig sms-berichten sturen.”

In Warners hoofd, stel je je voor, klinken brokstukken uit Brechts drie uur durende theatertekst naast flarden muziek uit Dido and Aeneas van Purcell. ‘Courage’ had ook koningin Dido immers, toen ze besloot na het vertrek van haar geliefde Aeneas te willen sterven. Hoewel: bij Purcell – waar Dido salonfähig en zonder bloedvergieten zingend ten onder gaat – wat minder dan in Vergilius’ Aeneis: daar stort zij zich op een brandstapel vorstelijk voorwaarts in een zwaard. „Parallellen?” Warner fronst. „Hm. Het geeft me wel veel energie zo van de ene wereld naar de andere over te springen. En al doende realiseer ik me dan dat mijn vak, het regisseren, in wezen altijd hetzelfde is – of het nu opera of theater betreft. Het is ook vruchtbaar die verwante genres in elkaar over te laten lopen.”

In Mutter Courage laat Warner haar vaste bühnepartner actrice Fiona Shaw (bij een groot publiek vooral bekend als Tante Petunia uit de reeks Harry Potter-films) een rocksong zingen. In Dido and Aeneas declameert diezelfde Shaw bij wijze van literaire proloog drie thematisch bij de handeling passende gedichten van T.S. Eliot, Yeats en Ted Hughes. „Het grappige is dat dirigent William Christie me alleen maar aanmoedigde in dit niet-muzikale plan”, lacht Warner. „Toen ik las dat het libretto van Purcells opera ook een nu vaak weggelaten proloog bevat, vroeg ik Christie: wat was dat dan? Gewoon, een opwarmertje, zei hij. Het maakte niet zoveel uit wat het was. Toen ik daarop voorstelde iets literairs te doen, opperde hij iets van de schrijfster Sylvia Plath, die – net als Dido – zelfmoord pleegde. Maar ik zocht teksten die alle thema’s uit de opera – Arcadië, ongeluk, romantische liefde – zouden introduceren.”

Deborah Warner – al als twintiger actief bij de Royal Shakespeare Company en het Royal National Theatre – had aanvankelijk niet zo’n zin in opera. Nicholas Payne, intendant van Opera North, moest begin jaren negentig seizoenenlang zeuren om haar over te halen een eerste opera te regisseren. „Ik vind alleen Wozzeck interessant”, zei Warner. Ze ensceneerde een succesvolle productie van die opera, was ‘om’ en onderscheidde zich later in onder meer de ook hier lovend ontvangen Diary of One Who Vanished van Janácek, Mozarts Don Giovanni , Beethovens Fidelio en – als laatste – Brittens Death in Venice, in januari nog te zien in Brussel en toen in deze krant geprezen om de „superieure subtiliteit” van de regie.

U werkt als theaterregisseur met professionele acteurs, in opera met acterende zangers. Welk verschil maakt dat?

„Het cliché van de stilstaande operazanger die niet kan acteren bestaat nog wel, maar steeds minder. In Groot-Brittannië heeft het operagenre zich de afgelopen twintig jaar enorm ontwikkeld. Operahuizen trokken bewust theaterregisseurs aan om vanuit die hoek een nieuwe impuls te genereren. Nu zie je dat er veel filmregisseurs worden gevraagd opera te proberen, in de hoop dat dáár weer iets nieuws uitkomt. Ik juich dat toe. Jongere generaties zangers zijn een theatraal gedachte aanpak dus gewoon gewend.”

Toch: een leuk acterende sopraan is nog geen Fiona Shaw.

„Dat hoeft ook niet. Zangers hebben de muziek: een extreem vaste structuur, die acteurs in prozatheater niet kennen, behalve bij theater in dichtvorm, Shakespeare bijvoorbeeld. Als je als zanger of Shakespeare-acteur de regels volgt, ben je veilig. En die veiligheid maakt het weer makkelijker je te verliezen in het moment, dááraan de vereiste verbeeldingskracht mee te geven. Maar in proza kun je keihard vallen. Een eerste repetitie voor Hedda Gabler, mijn God! Acteurs weten dan nog niet eens hoe het skelet van hun bijdrage eruit gaat zien. Het duurt lang voor proza vleugels krijgt. Terwijl je in opera al tijdens een eerste repetitie door de bestaande schoonheid van de muziek kunt worden getroffen. Ook dat kan weer eng zijn, want wat moet je nog toevoegen? De kunst is dan die natuurlijke schoonheid om te smeden in een nieuwe, eigen schoonheid. Je zoekt steeds naar een manier om het publiek te laten meevoelen met het stuk. Niet per se omdat ze er iets in herkennen, maar omdat het de deur naar het domein van hun eigen emoties ontsluit.”

Bij Dido heeft u daar krap een uurtje voor.

„55 minuten! Ongelooflijk, toch? Purcells muziek is voor mij als poëzie; de omvang staat in geen relatie tot de inhoud. Wat hier wordt verteld in een uur, daarvoor neemt Shakespeare er minstens drie. Dido and Aeneas is heel dapper, zelfs ‘modern’ theater; er wordt op een extreme manier voortdurend gewisseld tussen het komische en het tragische.”

In de Aeneis van Vergilius zijn het Goden die het op het geluk van Dido en Aeneas hebben gemunt, bij Purcell zijn het de heksen, die in een boosaardig koor („ho, ho, ho, ho, ho, ho!”) besluiten Dido te gronde te richten.

„Een slechte muziekgrap, vond ik ze aanvankelijk”, lacht Warner. „Maar door wekenlang dagelijks met de zangers aan die teksten te werken, gingen ze leven. De humor in Dido en Aeneas is voor mij een zeer zwarte humor, die me deed denken aan Shakespeares Titus Andronicus; daarin wordt ook elke dood geflankeerd door een grap. Dat effect hypnotiseert als het ware je waarneming van beide.

„Overigens geloof ik sowieso dat tragedie en komedie niet zonder elkaar bestaan. In Dido and Aeneas zijn de komische tovenares en de tragische Dido ook verwante personages; als experiment zou je ze eens door één zangeres kunnen laten zingen. Ik denk dat er mede daarom voor gekozen is in het libretto van Dido and Aeneas de goden door heksen te vervangen. Goden zijn lang niet zo grappig.”

In uw enscenering figureert een ‘koor’ van 25 meisjes. Waarom?

„Alle Dido’s in deze wereld zijn begonnen als klein meisje. Zij tonen ons dat het leven in wezen prachtig en licht is, zoals Purcell dat ook zegt in zijn muziek. Die lichtheid is van levensbelang in deze productie. De positieve lading ervan helpt ons ons eigen verdriet te voelen.”

En dat moet?

„Het is in elk geval wat grote kunst vermag. Niet omdat de toeschouwer zichzelf met Dido identificeert, maar omdat we via haar onze onderliggende eigen treurnis voelen. En kom op, iedereen boven de veertig heeft wel ergens een verstopt verdriet over. Daarom zijn kinderen en jonge mensen ook zo succesvol: ze hebben dat verdriet nog niet. Zij zijn ons Arcadië.”

Een opvallend element in uw regie is het contrast tussen koor in moderne pakken en soli in barokkostuums. Waarom koos u daarvoor?

„Dido and Aeneas is een perfect stuk om concertant uit te voeren: koorleden in concertkleding kunnen zonder problemen de ene minuut matrozen zijn, dan weer heksen. In een geënsceneerde versie ligt dat lastiger, want tijd om te verkleden ontbreekt eenvoudigweg. Daar heb ik een jaar echt van wakker gelegen.

„Tot ik me realiseerde dat Purcell juist door die opzet indirect gewoon eist dat de koorleden in hun eigen wereld blijven. Zij dragen in deze enscenering dus gewone concertkleding.

„Aan de vervreemding die dat wellicht teweegbrengt, ach, daar is men sinds Brecht wel aan gewend. Ik denk vooral dat het publiek in deze vorm goed de energie van de spelers kan meevoelen. En dat is toch waar het om gaat. Delen in de energie van de spelers kan alleen in het theater. En in tennis.”

‘Dido and Aeneas’ bij De Ned. Opera, Les Arts Florissants olv W. Christie. Voorstellingen nog op 2/10 (19 en 21.30), 3/10 (20.30u), 4/10 (15u) en 6/10 (19 en 21.30u), Stadsschouwburg, Amsterdam. Info. www.dno.nl