Altijd alles obsessief

Wat is er al niet eerder geschreven en gepubliceerd over Van Gogh? Alles. Toch was er nog een wetenschappelijk editie nodig. Al was het alleen maar om te bewijzen dat de beroemde Nederlandse schilder werkelijk altijd tot het uiterste gaat.

‘De slaapkamer’, Vincent van Gogh, 1888 Van Gogh Museum, Amsterdam Vincent van Gogh Stichting

Niemand hoeft er ooit nog voor naar de kluis te komen. Geen kunsthistoricus, geen letterkundige, geen biograaf hoeft nog af te dalen naar de zwaar beveiligde betonnen bunker bij het Van Gogh Museum in Amsterdam, te wachten totdat de deuren ontgrendeld worden, en dan naar de brandkast met ‘de brieven’ te lopen. Achter de vuurbestendige deuren van die kast liggen in ijzeren laatjes, in keurige stapeltjes van vijf, de brieven van Vincent van Gogh, per stuk in melinex-hoesjes gestopt. Niemand in de toekomst die nog onderzoek wil doen naar deze brieven, zal ze daadwerkelijk nog in zijn vingers hoeven houden.

De van oorsprong in zeventiende-eeuwse Nederlandse letterkunde gespecialiseerde Hans Luijten (1961) vertelt het stralend. De brieven van Van Gogh – waarvan sommige tot de mooiste, ontroerendste en meest inspirerende behoren die ooit door een kunstenaar werden geschreven – zijn uiterst kwetsbaar. Maar vanaf volgende week is elk woord van Van Gogh, elk schetsje dat hij in een kantlijn krabbelde en elke kapitale letter die hij tussen kleine letters gebruikte voor soms wel een hele naam (‘SEURAT’), naar believen uit te vergroten op een computerscherm of in te zien in een chique cassette met zes wetenschappelijk verantwoorde boeken. Dan is het monsterproject rond de Van Gogh-brieven, dat vijftien jaar geleden begon als een samenwerkingsverband tussen het Van Gogh Museum en het Huygens Instituut, afgerond.

Met Neerlandicus Leo Jansen (1960) en, vanaf 2002, kunsthistorica en Frans letterkundige Nienke Bakker (1972) heeft Luijten elke brief bestudeerd tussen 1872 en 1890 – het jaar van Vincents premature dood. Wie denkt dat Bakker, Jansen en Luijten na zoveel jaar onderzoek zijn getransformeerd tot stoffige tekstbezorgers die zich vooral druk maken over de plaats van een punt of een komma, vergist zich. In het Van Gogh Museum, waar ze op een zonnige zaterdagochtend alle drie aanwezig zijn, tuimelen ze over elkaar heen. Waar de één hapert, popelt de ander om aan te vullen. Komt een specialisme van één van drieën ter sprake, dan wappert er altijd wel iemand met de hand: „Over Bernard en Gauguin moet jij iets zeggen Nienke, daar weet jij alles van.” „Zo’n project rond Van Gogh,” zegt Luijten, „je lééft met Van Gogh, en met elkaar. Er zijn momenten geweest dat Leo en ik zelfs uit hetzelfde kopje dronken.”

Op de Engelstalige webeditie en in de boekeditie die verschijnt in het Engels, Nederlands en Frans en zo zwaar weegt als een doos Gamma-tegels, staan alle 819 brieven die Van Gogh schreef en de 83 die hij ontving in de oertekst afgedrukt. Bij het transcriberen zijn de redacteuren nergens afgeweken van de oorspronkelijke, soms foute spelling door Van Gogh. Bovendien zijn alle brieven (ongeveer tweederde ervan is in het Nederlands, eenderde in het Frans en een paar in het Engels) voorzien van nieuwe vertalingen.

Maar daarmee is nog niet alles gezegd. De rijk geannoteerde boeken en nog rijkere webeditie bevatten een schat aan informatie over familieverhoudingen, dateringen (Van Gogh dateerde zijn brieven zelden) en de literaire bronnen van Van Gogh. Ook zitten er plattegronden in van alle plaatsen waar de schilder woonde, zodat we hem kunnen volgen op de wandeltochten die hij op zondagochtenden langs de kerken in Amsterdam maakte. Daarnaast zijn alle religieuze verwijzingen onderzocht en ook zijn alle kunstwerken waarnaar hij verwijst voor zover mogelijk geïdentificeerd en afgebeeld. De webeditie, ontwikkeld door het in digitale tekstedities gespecialiseerde Huygens Instituut, moet het voor de wetenschapper van de toekomst mogelijk maken om met een simpele muisklik de brieven van Van Gogh te bestuderen, ze op onderwerp of persoon te doorzoeken, dwarsverbanden te maken, specialismen uit te diepen.

Dag na dag na dag staan de rijen dik voor de ingang van het Van Gogh Museum aan de Paulus Potterstraat. Nog steeds komen dagelijks zo’n drieduizend bezoekers naar het museum voor Van Gogh alleen, de beroemdste kunstenaar van de wereld, populairder nog dan Rembrandt. Daarom lijkt het ongelooflijk: wat is er nog niet over Van Gogh geschreven en gepubliceerd? Hoe vaak zijn de oorspronkelijke handschriften nu al doorgenomen en bewerkt in boeken, uitgaven, bloemlezingen in tientallen talen? Waarom was een wetenschappelijk editie nog nodig?

Volgens de drie onderzoekers is dat duidelijk. Tot nu toe moest men het stellen met drie grote edities die zich tooiden met het predikaat ‘compleet’, maar dat lang niet altijd zijn. Zo was de eerste verzamelde editie uit 1914 – bezorgd door de weduwe van Theo van Gogh, Jo Bonger – slecht gedateerd en op veel plekken, met name waar het Van Goghs onhandige verliefdheden betrof, gecensureerd. De volgende verzamelde editie, door Jo’s zoon uit 1953, oogt veel completer. Maar ook daar zitten omissies in, verschrijvingen en verkeerde dateringen. Bovendien zijn alle brieven die Van Gogh in het Frans schreef voor het Nederlandse publiek in het Frans gelaten. De verzamelde editie uit 1990 ten slotte, vertaalde juist weer alle brieven in het Nederlands, en maakte van Van Goghs brieven soepel lopende betogen. Onduidelijkheden werden weggelaten, veranderingen door de bezorgers niet toegelicht. Ook ontbrak het de laatste editie aan een uitgebreid notenapparaat. De Van Gogh-brieven, zo schrijven de drie onderzoekers, waren voor alles bedoeld voor een breed lezerspubliek.

Hier kwam begin jaren negentig, als Ronald de Leeuw aantreedt als directeur van het Van Gogh Museum, verandering in. Jansen: „Het Van Gogh Museum wilde uitgroeien tot hét expertise-centrum op het gebied van Van Gogh. Er werd een begin gemaakt met het uitgeven van wetenschappelijke collectiecatalogi. In dat streven paste de uitgave van de eerste verantwoorde brieven-editie.”

De nieuwe editie brengt veel nieuws. Niet alleen zijn delen van brieven die voorheen als gescheiden werden aangemerkt weer (verantwoord) bij elkaar gebracht, ook zijn ontbrekende fragmenten van brieven teruggevonden. Luijten: „Zo schrijft Van Gogh vanuit Nuenen aan Theo: ‘In liggend vind je een sonnet van Jules Breton.’ Groot vraagteken. Want in geen enkele brieveneditie kom je een sonnet van Breton tegen. Wel vonden we in de kluis een los blaadje met daarop een sonnet van Breton. Verder niets. Geen verwijzing. Geen nummer. Dat is geen bewijs. Maar dan is er de moeder van Gogh,die in een brief schrijft: ‘Vincent leest zo graag in de leesmap.’ In die leesmap zat geen Donald Duck, maar wel La Nouvelle Revue. En dáár begraaft Vincent zich volgens zijn moeder in.”

Luijten ging met de anderen naar het archief, om jaargang 1885 van La Nouvelle Revue uit te pluizen. „Stuiten we precies op dát gedicht van Breton dat ook in de kluis van het Van Gogh ligt. Dat is kassa! Het bewijs is geleverd: dit gedicht hoort bij deze brief. Vincent heeft het gedicht gekopieerd. En nee, de wereld gaat niet sneller draaien van zo’n ontdekking, maar die brief klopt nu wel.”

Ook hebben de onderzoekers vrijwel alle personen over wie Van Gogh schrijft voor het eerst in de geschiedenis van het Van Gogh-onderzoek geïdentificeerd. De meeste boeren in de omgeving van Etten zijn teruggevonden, en dames over wie Van Gogh schrijft in Nuenen. Jansen, relativerend: „Het zijn heus niet allemaal belangrijke personen. Maar wie een wetenschappelijke editie maakt, kan geen half werk leveren. Hij mag niet schipperen. En aan interpretaties doen wij niet. Niets raakt zo snel sleets als een mening of een interpretatie.”

Bakker: „We hebben consequent gekeken: wát schrijft hij, aan wie schrijft hij, waarom schrijft hij en wat is daaraan voorafgegaan?”

Jansen: „In vorige Van Gogh-publicaties zag je dat mensen citaten uit de brieven knipten en gebruikten, knipten en isoleerden. Altijd maar isoleren. Dat doen wij juist niet.”

Van Gogh is in de vijftien jaar van hun onderzoek geen statistisch object gebleven. Integendeel: Van Gogh is ‘Vincent’ geworden, een dierbare bekende om wiens fratsen je kunt lachen, een sneue vriend die worstelt met het leven, een genie door wiens ogen je Parijs, Dordrecht, de Provence bekijkt en met wie je mee filosofeert over zijn kleurgebruik.

Luijten: „We hebben een brief van Theo aan zijn zus Wil in Nuenen. Vincent en Theo delen een appartement in Parijs en Theo schrijft aan Wil: „Ik heb het wel zo verschrik-ke-lijk moeilijk met die broer van ons. Wát een moeilijk mens. Dit kan zo niet doorgaan! Dit gaat knallen!”

Jansen: „Hij jaagt iedereen tegen zich in het harnas. Zolang hij met iemand correspondeert, kijk naar Gauguin, dan is het allemaal botertje bij de boom, pais en vree.”

Luijten: „Maar zodra hij samen gaat wonen, wordt hij onmogelijk. Hij kan zijn vriendschappen alleen dank zij zijn brieven onderhouden. Hij is…”

Jansen: „Egocentrisch.”

Luijten: „Hij is volmaakt…”

Jansen: „Egocentrisch.”

Luijten: „Hij kan zich op geen enkele manier voorstellen wat een ander beweegt.”

Jansen: „Zijn empathie bestaat eruit om voor jou te beslissen wat goed voor je is.”

Bakker: „Hij gééft wel om mensen. Maar als hij eenmaal in zijn hoofd heeft gezet: dát is goed voor jou, dan is hij daar niet meer vanaf te brengen.”

Jansen: „Zo heeft Theo in de tijd dat Vincent in Drenthe woont en hijzelf in Parijs, vaak problemen met zijn werkgever, de kunsthandelaar Goupil & Cie. De onenigheid gaat over moderne kunst en in hoeverre de kunsthandel zich daarvoor in moet zetten. Vincent schrijft aan Theo: ‘Ik heb nu de oplossing. Jij zegt je baan op en komt hierheen. Dan ga je ook schilderen. Denk je eens in wat een genot: twee broers die schilderen!’”

Bakker: „Vincent woont daar in een negorij, Theo is degene die het geld verdient voor hen beiden, maar evengoed ontwerpt Vincent een compleet irreële toekomst. ‘Dan ga ik zoveel schilderijen per jaar maken en die verkopen we dan toch zéker wel voor zoveel honderd gulden per jaar. Zeg dat we tweeduizend gulden voor levensonderhoud nodig hebben. Dan vragen we die en die oom om geld.’ Maar met die ooms had hij wel al ettelijke aanvaringen gehad.”

Jansen: „Vind je het raar dat Theo antwoordt: Beste Vincent, dank voor je bezorgdheid, maar het lijkt me niet zo’n goed idee dat ik mijn baan opzeg.”

Luijten: „Daarmee houdt het niet op. Hij blijft Theo sommeren om zijn baan op te zeggen. Wel tien keer. Hij is zó fanatiek!”

Jansen: „Hij ranselt Theo met broederliefde.”

Luijten: „Dat is het briljante van de brieven van Van Gogh. Je kunt er nooit niets van denken.”

Bakker: „Hij roept altijd iets op. Of het nu bewondering is of afschuw.”

Jansen: „Hij schrijft zoals hij is: een obsessief mens. Vincent doet alles obsessief: schilderen, geloven, schrijven. Alles is maximaal. Van een meningsverschil met hem loop je niet zo maar weg. Je bent óf overtuigd, óf je denkt: Ja hoor, klets jij lekker raak, ik maak dat ik wegkom. Zo is Van Gogh: altijd all the way en geen weg terug.”

Volgende week in Boeken de recensie over ‘Vincent van Gogh – De brieven’.