Wereldmacht China

Zestig jaar geleden, op 1 oktober 1949, veroverde de Communistische Partij van China (CPC), opgericht in 1921 onder auspiciën van de Nederlander Sneevliet, de macht in het land. Slechts één marxistisch-leninistische partij heeft langer geregeerd. De Communistische Partij van de Sovjet-Unie (CPSU) hield het bijna 74 jaar vol.

In de eerste drie decennia volgde de CPC onder Mao het misdadige pad van Stalin. Koerswijzigingen als ‘laat honderd bloemen bloeien’ (medio jaren vijftig), ‘grote sprong voorwaarts’ (eind jaren vijftig) en ‘culturele revolutie’ (jaren zestig/zeventig) waren min of meer geënt op de ‘nieuwe economische politiek’ van collectivisatie en industrialisatie, en op de ‘rode terreur’ en de schijnprocessen tijdens de ‘tweede bolsjewistische revolutie’. Ook in China zijn tientallen miljoenen mensen daarvan het dodelijke slachtoffer geworden.

Net als na de dood van Stalin in 1953 kwam na het overlijden van Mao in 1976 een einde aan de dolste willekeur. De partij zag het volk niet meer louter als producerende onderdanen, maar ook als consumerende burgers.

Daarmee houdt de vergelijking op. Toen de CPSU in 1977 haar zestigste machtsjaar vierde, kabbelde ze ambitieloos en cynisch voort onder het ‘demente’ regime van Brezjnev. Vijf jaar later was de stagnatie niet meer met worst en wodka te camoufleren, een crisis die ten slotte uitmondde in de ontmanteling van partij én systeem.

Dat lot lijkt de CPC niet zo snel beschoren. De partij kan zich erop beroemen dat China geen tanende, maar juist de tweede economische staatsmacht ter wereld is. Ook demografisch en politiek is het een mondiale factor. En met bijna 75 miljoen leden (5,5 procent van de bevolking) kan de CPC claimen dat ze een krachtig maatschappelijk voertuig is, ook al hebben velen bij gebrek aan alternatieven vooral uit eigenbelang een partijboekje.

Die positie is mede het resultaat van de pragmatische koers die de leiders na Mao zijn gaan varen. Sinds Deng het concept van een autoritair en nationaal kapitalisme uitzette, is de CPC onder Jiang en Hu een machtsmachine. Met haar patriottisme, gericht tegen de buitenwereld en etnische minderheden in het eigen rijk, bindt ze brede lagen van de bevolking. En met de doctrine van de drievoudige representativiteit – de partij staat voor economische groei, culturele ontwikkeling en politieke consensus – kan ze alle kanten op.

Behalve in de richting van democratie en pluriformiteit. En dat kan gaan wringen in een land waar de middenklasse in sociale zin gestaag groeit, maar politiek juist minder wordt vertegenwoordigd binnen de staatsmacht.

De vraag bij dit jubileum is dan ook hoe lang de CPC het volhoudt om, in marxistische termen, basis en bovenbouw zo gescheiden te houden. Naarmate het land voortsnelt, krijgen steeds meer Chinezen behoefte aan zekerheden. Ze hebben dankzij de partij iets te verliezen. Maar ondank is ook in China ’s werelds loon. Burgerlijke en sociale veiligheid zouden weleens de achilleshielen van de CPC kunnen worden.