Omdat concurreren moeilijk is met Amerikaanse producenten

Er zijn hier meer Amerikaanse series op televisie dan series uit Europese landen.

‘Brussel’ probeert er iets tegen te doen, al is het lastig.

Aan het decor voor de tv-serie, het schilderachtige en zonovergoten Sicilië, kan het niet liggen. Als mannelijke held doet commissario Montalbano niet onder voor CSI-baas Gilbert Grissom of Inspector Lewis. De zaken die hij moet oplossen, zijn intrigerend en soms van een poëtische schoonheid. De boeken waarop de serie is gebaseerd verkopen goed, ook in Nederland. En toch heeft de Nederlandse televisiekijker geen idee wie commissario Montalbano is.

Er is meer moois dat we niet te zien krijgen. Ook al trekken tv-series in hun land van herkomst veel kijkers, in andere Europese landen zijn ze meestal niet te zien. Dat is bijna overal in Europa zo. Bijna 60 procent van de series en soapopera’s op de Europese tv komt uit de Verenigde Staten, net 10 procent komt van de Europese buren. En daarbij zitten weer veel Engelse series. Angelsaksische tv-series domineren het aanbod.

Zo raakt de Europeaan via de tv meer vertrouwd met de Amerikaanse of Britse leefwereld dan met die van Europeanen een paar honderd kilometer verderop op het continent. Dat is een gemiste kans voor wie, zoals de Europese Commissie, de culturele binnengrenzen van de Europese Unie wil slechten of iets van een Europese identiteit wil opbouwen door middel van gedeelde ervaring. En het is een bron van zorg voor degenen die, onder aanvoering van de Fransen, pleiten voor culturele diversiteit als antwoord op Amerikaanse dominantie.

En passant raken we als tv-kijker thuis in de straten van Manhattan, de moerassen rondom Miami en de strip in Las Vegas. Maar de Spaanse volkswijk uit de successerie Aida komt niet de Nederlandse huiskamer binnen. Het lief en leed van Poolse arbeiders in Londen dat Poolse tv-kijkers met zoveel plezier volgen, gaat volledig langs ons heen. En waarom niet eens een sitcom met Marseille als achtergrond, zoals het in Frankrijk razend populaire Plus belle la vie?

De Europese Unie probeert daar al jaren iets aan te doen. In 1989 werd de richtlijn ‘Televisie zonder grenzen’ opgesteld. Daarin staat dat landen ernaar moeten streven dat een meerderheid van de tv-programma’s uit Europa komt. Gedachte erachter is dat die programma’s cultuuruitingen zijn, zeg maar eigen intellectueel kapitaal, die enige bescherming verdienen.

Veel programma-aankopers vragen zich af of het publiek als het om tv-series gaat, wel zit te wachten op zulke culturele diversiteit. „Voor een goede serie kom je al snel bij de Amerikanen uit”, zegt Jaap Paulsen, woordvoerder van RTL. „Qua tempo, opbouw en belichting is dat wat de kijker wil. In het verleden werd er massaal gekeken naar Duitse krimi’s, maar de taal wordt een probleem. Kijkers vinden dat lastiger te volgen, de talenkennis is afgenomen. Wij richten ons op het grote publiek en hoeven niet per se een voortrekkersrol te vervullen.”

In de taakstelling van de publieke omroep is daar wel ruimte voor. Maar ook Hans Schwarz, die buitenlandse programma’s voor de Nederlandse publieke omroep aankoopt, noemt taal en technische kwaliteit als belangrijke factoren achter de Angelsaksische dominantie. „Niet alleen de Amerikaanse, maar ook de Britse series zijn zo populair simpelweg omdat ze zo goed zijn. En doordat ze veel geld ophalen met hun programma’s kunnen ze ook meer investeren. Het is voor Europese producenten moeilijk daarmee te concurreren.” Daarnaast zijn veel Amerikaanse series, aangekocht in een totaalpakket met dure succesnummers als CSI of Sex and the City, betrekkelijk goedkoop.

Peter Römer, producent drama bij Endemol, denkt dat de tv-kijker zich eerder identificeert met Angelsaksische series omdat die wereld hem vertrouwder is. „Het gaat de kijker om het personage. Kun je je daarmee verbonden voelen? De kwaliteit van Spaanse en Italiaanse series is vaak geweldig. Maar de kijker begrijpt toch beter hoe een personage leeft en werkt als het om iemand in New York gaat dan bij iemand in Madrid.”

Niet iedereen is overtuigd van die redenering. „Op die manier is een zelfversterkend effect ontstaan”, zegt de Franse schrijver en uitgever Jean Mattern. „Je vraagt naar wat je kent. Maar juist in de cultuur, waarin het nieuwe en onbekende belangrijk zijn, geldt dat het aanbod een eigen dynamiek moet kennen.”

Daarom proberen lidstaten op allerlei manieren meer ruimte voor eigen producties te maken. In Frankrijk gelden quota. Bij de publieke omroep moet 70 procent van alle programma’s (dus niet alleen tv-series) uit Europa komen, en daarbinnen 50 procent uit Frankrijk. Ook voor de commerciële omroep gelden quota.

Een andere manier is het stimuleren van coproducties, om de kosten te delen. Maar het enthousiasme daarvoor is beperkt. „Bij coproducties worden vaak te veel concessies gedaan, om alle meebetalende landen aan bod te laten komen”, zegt Schwarz van de publieke omroep. „Dat wordt een soort europudding. Bovendien worden die coproducties vaak nagesynchroniseerd. Dat accepteert de Nederlandse kijker niet.”

Overigens is de serie over commissario Montalbano al wel verkocht, aan het productiebedrijf Lumière. In Vlaanderen is de serie inmiddels op tv geweest, deze zomer. „In Nederland ligt het moeilijker”, zegt Alexander Vanderputte van Lumière. „Soms horen we dat het niet hard genoeg is voor het crime slot in de programmering, dan weer dat ze geen serie van 100 minuten maar van 50 minuten nodig hebben. Misschien blijft deze Italiaanse held wel volledig onbekend in Nederland.”