Krachtige beelden gunnen publiek geen rust

Aurélien Froment, ‘Théâtre de poche’ (2007) Lambda print van HD video, 12 min. collectie G + W nederland, courtesy Motive Gallery, Amsterdam

Tentoonstellingen The Knight’s Tour/Lunar Distance. T/m 29 november in De Hallen, Grote Markt 16, Haarlem. Di t/m za 11-17u, zo 12-17u. Inl: dehallenhaarlem.nl * * * *

Heel terloops, sluipend bijna, is er in het Nederlandse galeriecircuit een nieuwe, jonge generatie kunstenaars opgestaan. Zowel Navid Nuur als Nathaniel Mellors, David Jablonowski, Zilvinas Landzbergas en David Maljkovic hebben een buitenlandse achtergrond, studeerden in Nederland en breken sinds enkele jaren internationaal door met werken die op een merkwaardige manier het midden houden tussen installaties en traditionele abstracte beelden. Hun werken zijn niet glamoureus, eerder wat knullig – opgebouwd uit goedkope spullen als hout, gips, ballonnen en tl-buizen en ruw afgewerkt.

Tegelijk heeft deze generatie weer belangstelling voor het kunstwerk als object in de ruimte, als ding waar je omheen loopt en waar je je niet alleen met je geest, maar ook met je lichaam toe verhoudt. En zowaar: ineens bleken al die kunstenaars (op Mellors na) in De Hallen in Haarlem bij elkaar gebracht op de nieuwe expositie The Knight’s Tour/Lunar Distance, samen met buitenlandse verwanten als Christina Mackie en Anna Barriball en oudere ‘voorlopers’ als Charlotte Posenenske, Douglas Gordon, Jeroen Eisinga. Deze tentoonstelling dreigde een tijdsbeeld te worden.

Alleen: bij de ingang kwam de twijfel. The Knight’s Tour/Lunar Distance blijkt namelijk te bestaan uit twee afzonderlijke exposities die zich op een nogal halfslachtige manier tot elkaar verhouden. The Knight’s Tour toonde, volgens de organisatie, kunstenaars die zich afvroegen ‘wat is een object en hoe kunnen wij het kennen’. Lunar Distance, daarentegen, was opgehangen aan het feit dat veertig jaar geleden de eerste maanlanding plaatsvond, wat weer werd gecombineerd met een idee over de ‘werkelijkheid als constructie van de eigen geest’. Deze concepten werden vervolgens met elkaar verbonden door een citaat van de filosoof Giambattista Vico: ‘wat waar is, is gemaakt’. Zodat je je als toeschouwer uiteindelijk vooral afvroeg waarom de conservatoren zoveel ruis tussen de kunst en de toeschouwer wilden zetten.

Maar, en dat is het mooie: al na enkele werken doet die omhaal van woorden er niet meer toe. De conservatoren van The Knight’s Tour/Lunar Distance doen in hun concept weliswaar nodeloos ingewikkeld, ze hebben ook een mooie, aanstekelijke tentoonstelling gemaakt, vol werken die elkaar opstuwen. The Knight’s Tour vertegenwoordigt daarbij de concrete, fysieke kant van kunst, allemaal beelden waarbij materiaal en techniek ook inhoudelijk een belangrijke rol speelt. Navid Nuur bijvoorbeeld toont een fors, groen, pilaarachtig beeld waarvan de bovenkant is weggeslagen; naar beneden zitten deuken en kuilen. Het geheel roept associaties op met verval, met klassieke cultuur, door het formaat, het schijnbare gewicht en het groen dat lijkt op uitgeslagen koper. Tot je beseft dat Nuur het beeld heeft opgetrokken uit blokken oasis, dat groene spul dat de basis vormt van veel bloemstukjes en dat zo vederlicht is dat je het bijna wegblaast.

David Jablonowski veroorzaakt een soortgelijke verwarring met een vreemd, groot wormachtig object, dat in z’n onafgewerktheid wel wat lijkt op het werk van de Oostenrijkse beeldenmaker Franz West. Maar aan de bovenkant zweeft een grote zwarte bol. Opnieuw denk je dat die wel zwaar zal zijn, het beeld uit balans zal trekken, tot je ziet dat het een ballon is – en dat het zware beeld ineens bijna een luchtschip wordt.

Zulke slimme, prikkelende beelden sluiten mooi aan bij de meer conceptuele werken op de tentoonstelling. Die nemen vaak iets onzichtbaars als uitgangspunt. De Brit Roger Hiorns bijvoorbeeld (die vorig jaar nog in een oude Londense flat tachtigduizend liter kopersulfaatoplossing liet kristalliseren) exposeert een wandbeeld van een gestileerde haas, waarin naar verluidt ook een stel hersenen zijn verwerkt. Alleen zie je die niet, maar de suggestie is voldoende om verwachtingsvol te gaan gluren, turen en snuffelen – zonder te weten of er ooit een oplossing komt.

Dat soort suggestie lijkt belangrijk voor deze kunstenaars: ze tonen een mooi, hernieuwd besef van de rijke, suggestieve, lading die intelligent materiaalgebruik kan opleveren. Nuur, Jablonowski en Zilvinas Landzbergas (die veel met hout werkt, maar ook vrolijk gekleurde, ouderwetse aandoende kaarsjes uitstalt) zijn zich er goed van bewust dat ze op deze manier niet alleen onverwachte effecten teweeg kunnen brengen (de oasis, de ballon), maar er ook inhoudelijke betekenis mee kunnen oproepen: of het nu de associatie met het verval van cultuur is zoals bij Nuur of met bossen, natuur en oude romantiek bij Landzbergas. Tegelijk leggen ze die associaties ook niet al te veel uit, laten ze de betekenis net mooi in het luchtledige zweven. Daardoor besef je als toeschouwer dat je de inhoud nooit helemaal zult behappen, maar ook dat dat niet nodig is – de kracht van de suggestie is voldoende.

En laat nu precies die gedachte mooi worden verbeeld in de korte film Théâtre de poche van de Franse kunstenaar Aurélien Froment. We zien een goochelaar die op een glazen plaat met allerlei afbeeldingen schuift – dieren, kunstwerken, mensen, souvenirs. Dat doet hij heel rustig, schijnbaar doelbewust, waardoor je steeds geneigd bent aan iedere nieuwe combinatie nieuwe betekenis toe te kennen. Maar is die er wel? Of trap je in de slimme suggesties van de goochelaar?

Met dit simpele, maar rijke werk vat Froment heel helder het dilemma samen van deze generatie beeldhouwers: hoe krachtig hun beelden ook zijn, nooit verschaffen ze de toeschouwer zekerheid, of rust. Wat er overblijft is een grote illusie, maar die kan soms alleraangenaamst zijn.