Eten kapot

Driss Tafersiti kwam als jonge Marokkaanse gastarbeider naar Nederland. Hij bleef. Wekelijks feuilleton over zijn belevenissen.

„We moeten patat halen”, zei Mustapha. Foto NRC Handelsblad, Maurice Boyer Patat met foto NRC H'Blad, Maurice Boyer 020904 Boyer, Maurice

Mijn neef Mustapha hoorde het van een kennis uit Amsterdam: Moha, mijn oudste broer, was na onze ruzie vetrokken. De breuk met mijn broer had mij veel verdriet gedaan. Maar iets anders zat er niet op. We waren te ver uit elkaar gegroeid. Moha verdorde in Europa, terwijl het voor mij juist de plek was waar ik opbloeide. Ik zag de ruzie niet in de nabije toekomst goed komen, want één eigenschap deelden we nog steeds: koppigheid. Als een Tafersiti eenmaal onenigheid heeft, dan is hij de laatste om verzoening te zoeken. Onze trots zit ons daarvoor te veel in de weg.

Ik wist niet wanneer ik mijn broer zou terug zien. Misschien wel nooit. Dat was een pijnlijke gedachte, maar daar stond wel tegenover dat ik mijn vrijheid weer terughad. De vrijheid bijvoorbeeld om in de duinen met Jolanda te knuffelen, zonder bang te zijn om gezien te worden door Moha. Het was over met het geheimzinnige gedoe. Daarom besloot ik Jolanda bij mij thuis uit te nodigen. Ik wilde haar voorstellen aan mijn neef Mustapha en mijn vriend Kemal de Turk.

Jolanda reageerde enthousiast. Mustapha en Kemal in eerste instantie ook, maar op de dag van het etentje werden ze zenuwachtig. Ik zou voor het eten zorgen, maar die taak namen ze als snel van me af. „Ga jij maar mooi zitten wezen in de huiskamer”, zei Mustapha. Hij en Kemal gingen aan de slag in de keuken. Er klonk een hels kabaal van kletterende potten, gescheld en energieke liederen in het Turks en het Berbers. Toen de ambitieuze gerechten een voor een mislukten, raakten ze in paniek en renden ze met de handen in het haar door huis. „Eten kapot”, schreeuwde Kemal. „We moeten patat gaan halen”, zei Mustapha radeloos. „We moeten patat gaan halen.”

Ik stelde ze gerust en ging zelf de keuken in. Van de ingrediënten die nog over waren, maakte ik een stoofpotje met aardappelen en wat groenten. Ondertussen gingen Mustapha en Kemal een voor een onder de douche. Ze trokken hun mooiste kleren aan en besprenkelden elkaar rijkelijk met goedkope eau de cologne.

„Die meid van jou valt vanavond als een blok voor mij”, zei Mustapha. Kemal streek over zijn snor en zei: „Niet boos worden. Jolanda straks veel verliefd doen met Kemal.” Maar toen Jolanda eenmaal binnen was, was er niets meer over van hun bluf. Ze werden zo verlegen als schoolmeisjes. Aan tafel durfden ze haar nauwelijks aan te kijken. Om ze op hun pesterijen terug te pakken, sloeg ik geregeld mijn arm om Jolanda heen en gaf haar kusjes op de wang.

„Jullie werken toch ook in de haven?”, vroeg Jolanda om de zwijgzaamheid van de jongens te doorbreken. Kemal gaf geen antwoord. Hij grijnsde en knikte. Mustapha verging het ook niet beter. „Ja, gister ik haven daar gaan, nee nee, ik is visafslag…” De rest van zijn antwoord ging verloren in onduidelijk gebrabbel. Jolanda liet zich niet ontmoedigen door hun verlegenheid en vroeg: „Vinden jullie het leuk in IJmuiden?” „Leuk”, zei Kemal. „Ja, leuk”, zei Mustapha. Daarna sloegen ze hun blik neer en aten verder.

Jolanda en ik keken elkaar aan en glimlachten om de jongens. Twee stoere havenarbeiders die bezwoeren dat ze mijn vriendin zouden inpikken, hadden hun tong verloren. Het was een aandoenlijk gezicht. Ik besloot de avond met een pesterijtje te eindigen. „Ga je mee naar mijn kamer?”, vroeg ik aan Jolanda. Daarna richtte ik mij tot Mustapha en Kemal. „Ja jongens, dat horen jullie goed. Jolanda en ik gaan naar mijn slaapkamer.” Ze werden bleek. Grinnikend gingen Jolanda en ik van tafel en lieten Mustapha en Kemal in verbijstering achter.

Driss Tafersiti