Een vrouw moet niet beter zijn

In Nederland zijn heel weinig vrouwelijke hoogleraren. Hoe komt dat? Meisjes worden te weinig uitgedaagd, vindt een onderzoekster met veel buitenlandse ervaring.

Het percentage vrouwelijke hoogleraren in Nederland neemt ieder jaar toe. Dat is het goede nieuws, schrijven de samenstellers van de Monitor Vrouwelijk Hoogleraren, die vanmiddag verscheen. De Monitor wordt uitgebracht door onder meer de Vereniging van Universiteiten (VSNU), en het Landelijk Netwerk Vrouwelijke Hoogleraren (LNVH).

Het slechte nieuws is dat de stijging gering is: 0,5 procent per jaar. De toename is kleiner dan in de rest van Europa, zodat Nederland in de grafieken nog altijd onderaan bungelt. In 2008 was iets meer dan één op de tien hoogleraren (11,7 procent) vrouw. Alleen Malta, Luxemburg, Cyprus en België zitten daar (iets) onder.

Hoe kan dat? Over die vraag hebben talloze onderzoekers en commissies zich gebogen. Er zijn rapporten uitgebracht, proefschriften geschreven en er is beleid geformuleerd. “Maar de werkelijkheid is dat Nederland, dat zichzelf zo graag ziet als sociaal vooruitstrevend, op dit terrein achterloopt bij zo ongeveer de hele EU en de VS”, zegt Sera Markoff.

Markoff is astronoom en universitair hoofddocent aan de universiteit van Amsterdam. Zij studeerde en promoveerde in de Verenigde Staten, en werkte ook in Duitsland. In Amsterdam leidt zij, met onder meer een Vidi-subsidie van NWO en een Europese Marie Curie-premie, een eigen onderzoeksgroep. Ze probeert er ook de positie van vrouwen aan de bètafaculteit te verbeteren. „Want in de bètavakken vind je nóg minder vrouwen dan gemiddeld.”

En ja, als relatieve buitenstaander verbaast haar dat, zegt Markoff. Ze is net terug van een conferentie in de VS waar veertig procent van de sprekers vrouw waren, met als gast ook twee vrouwelijke astronauten. „Het was grappig: de astronomen zwermden om hen heen. Ze leken wel rocksterren.”

Zulke rolmodellen zijn belangrijk vindt Markoff: „Kleine meisjes en jongens worden door hun omgeving beïnvloed. Neem president Barack Obama. Dankzij hem kan nu elk Amerikaans kind uit een minderheid geloven dat hij of zij de kans heeft om president te worden. Omgekeerd: als meisjes alleen maar huisvrouwen zien, worden ze niet uitgedaagd.”

Worden meisjes in Nederland niet genoeg uitgedaagd?

„Dat lijkt me duidelijk. De meeste vrouwen werken hier parttime. Zo vind je heel moeilijk een uitdagende baan waarin je jezelf kunt ontplooien. Nederlandse meisjes krijgen daar erg weinig voorbeelden van.”

Maar ook in de VS hebben mannen vaker topposities aan de universiteiten; zeker op de bètafaculteiten...

„Ja, maar er is de laatste vijftien jaar veel veranderd. Als je recente benoemingen tot universitair docent in de VS bekijkt, is het aandeel vrouwen ongeveer 50 procent bij biologie, 30 tot 40 procent bij astronomie en 10 tot 30 procent bij natuurkunde. Het hoeft dus niet zo te stagneren als in Nederland.”

Wat doen de VS anders?

„De VS hebben veel geld gestoken in het bijscholen van docenten in het basisonderwijs en in het ontwikkelen van extra onderwijsprogramma’s over wetenschap. Dat lijkt me in Nederland ook nuttig. Ook hier staan vooral vrouwen voor de klas en het merendeel van hen heeft, dat ligt aan hun eigen opleiding, geen enkele affiniteit met wetenschap. Dat dragen ze over, en daar begint het al...

„In de VS hoeven studenten verder pas rond hun twintigste een studierichting te kiezen. Dan heb je, en dat geldt met name voor meisjes, meer zelfvertrouwen en kun je beter kiezen wat bij je past. In Nederland kiezen leerlingen op de middelbare school al een profiel zoals Natuur en Techniek of Cultuur en Maatschappij. Op die leeftijd zijn ze maximaal onzeker en gevoeliger dan ooit voor de mening van hun omgeving. Ikzelf zou op mijn vijftiende ook niet mijn echte ambitie gevolgd hebben en dat zou mijn mogelijkheden hebben beperkt.

„En in de VS is er meer aandacht voor wetenschap en meer waardering voor mensen die slim zijn en creatief en die willen excelleren. In Nederland word je, is mijn indruk, onderworpen aan de subtiele sociale druk dat je niet beter moet willen zijn dan de rest. Dan schop je het in de wetenschap niet ver.”

En positieve discriminatie?

„Het is niet ideaal, maar door het vijf of tien jaar toe te passen, kun je bijsturen. Ervoor zorgen dat benoemingscommissies niet meer alleen uit mannen bestaan bijvoorbeeld. Om weer een voorbeeld uit de VS te nemen: veertig jaar geleden kon je er in het zuiden nog aparte drinkwaterfonteintjes voor zwarten en blanken vinden. Nu hebben we een zwarte president. Positieve discriminatie heeft daarbij geholpen, denk ik.”

Benoemingscommissies in Nederland zeggen vervolgens dat ze geen geschikte vrouw kunnen vinden...

„Voor de wetenschap geldt dat niet! Ik heb de bestuurders van onze bètafaculteit eens gevraagd hoeveel reacties van vrouwen zij verwachtten op een vacature voor vijf topposities. Hooguit twintig of veertig, schatten zij. Maar toen in Groningen geadverteerd werd voor vijf van zulke posities reageerden er 120 vrouwen. De meesten zo goed, dat ze niet konden kiezen! In Groningen hadden ze internationaal geadverteerd en vooraf goed nagedacht over de werving. Uit studies blijkt dat als in een advertentie X, Y en Z wordt vereist, mannen al reageren als ze alleen aan X voldoen. En vrouwen pas als ze X én Y én Z in huis hebben. Daar was rekening mee gehouden. Er reageerden wel veel meer buitenlandse vrouwen, maar die kunnen in elk geval een rolmodel zijn voor nieuwe generaties.”

En de mannen?

„Ik vind Nederlandse mannen niet speciaal seksistisch. Ik vind ook niet dat vrouwen hen verongelijkt moeten bejegenen. Je kunt beter zeggen: laten we eens praten. En humor kan geen kwaad.”