Duitse onhelderheid blijft na verkiezing

De verkiezingsuitslag zou een omslag betekenen in de Duitse politiek. Maar voor het buitenlandbeleid verwacht Ton Nijhuis daar weinig van. Duitsland blijft onvoorspelbaar.

Tijdens zijn eerste persconferentie na de verkiezingen kreeg de FDP-voorman en nieuwe vicekanselier Guido Westerwelle een vraag van een journalist van de BBC met het verzoek om in het Engels te antwoorden. Westerwelle weigerde: we zijn hier in Duitsland. Over Westerswelles talenkennis wordt al lang gespeculeerd, en vooral over zijn beheersing van het Engels zijn veel grappen in omloop.

Dit weerhoudt Westerwelle er niet van de nieuwe minister van Buitenlandse Zaken te worden. Dat hij deze post zal gaan bekleden, geldt als zeker.

De verschillen tussen de CDU en de FDP op het terrein van de buitenlandse politiek zijn gering. De FDP pleit voor het behoud van kerncentrales in Duitsland, maar wil wel af van de Amerikaanse kernwapens die in het land gestationeerd zijn. De CDU voelt daar echter weinig voor en de FDP wil de betrekkingen met de VS verbeteren. Tot strijd zal dit thema niet leiden.

In de buitenlandse politiek zal naar verwachting niet veel veranderen. Betekent dit dat we nu weten wat ons de komende vier jaar te wachten staat? Nee, in het geheel niet. Continuïteit van een weinig helder beleid schept geen duidelijkheid.

Hoe bereidwillig zal de nieuwe regering zijn om een actieve rol te spelen in de internationale politiek? En is ze ook bereid om hiervoor voldoende middelen vrij te maken? De signalen zijn nog niet hoopgevend.

Neem de politiek ten aanzien van Afghanistan. Het overgrote deel van de burgers in Duitsland willen liever vandaag dan morgen weg. Zo snel zal het niet gaan, maar wanneer andere landen, zoals Nederland, hun troepen terugtrekken, zal ook de Duitse regering een langer verblijf niet aan het thuisfront kunnen verkopen.

De Afghaanse kwestie raakt ook de Duitse Ruslandpolitiek, waarschijnlijk het meest heikele punt in de Duitse buitenlandse politiek. Moskou heeft zeker geen belang bij een overwinning van de Talibaan, maar evenmin bij een duidelijke overwinning van het Westen. Dat zou immers een belangrijke versterking van de invloed van de VS aan de zuidrand van Rusland betekenen. Het resultaat is een politiek die weliswaar niet op confrontatie gericht is, maar ook niet echt behulpzaam. Hoe om te gaan met deze dubbele politieke doelstellingen van Rusland?

Hetzelfde probleem geldt voor de Iranpolitiek. Rusland heeft net als de westerse machten geen belang bij Iran als een nucleaire macht. Maar tegelijkertijd heeft het ook geen belang bij een Amerikaan succes in de Iraanse kwestie. Daarom speelt Moskou een politiek van uitstel, afhouden en afzwakken. Duitsland heeft dit tot nog toe tandenknarsend geaccepteerd en de prioriteit gegeven aan het binnenboord houden van Rusland, ook al gaat dit ten koste van de effectiviteit en geloofwaardigheid van de Iranpolitiek.

Maar hoe lang is Berlijn bereid om Rusland het tempo en de omvang van de sanctiepolitiek te laten bepalen? Deze vraag is extra urgent omdat Merkel onlangs heeft verklaard dat de veiligheid van Israël deel is van de Duitse staatsraison. Duitsland is daarmee wellicht het enige land in de wereld dat de existentiële veiligheid van een ander land tot element van de eigen staatsraison uitroept!

Of energiezekerheid. Hoeveel afhankelijkheid van Rusland wil Duitsland accepteren in ruil voor zekerheid van gasleveranties? Juist omdat een Europese Ruslandpolitiek ontbreekt en Duitsland een bijzondere relatie tot Rusland heeft, is het voor alle andere landen buitengewoon spannend hoe Berlijn zich zal ontwikkelen. Vooral de landen van Midden- en Oost-Europa volgen de Duitse bewegingen nauwlettend.

Met betrekking tot de Europese politiek is de onzekerheid over de Duitse rol en doelstellingen niet minder. In de financiële en economische crisis heeft Berlijn zich – om het voorzichtig uit te drukken – niet altijd een groot pleitbezorger getoond voor een gemeenschappelijke Europese aanpak. Sowieso zien we ondanks alle Europese retoriek een sterkere nadruk op nationale belangen. Berlijn is in Brussel al lang niet meer de coöperatieve en inschikkelijke partner van weleer. Daar is op zichzelf nog niet veel mis mee. Maar juist in deze verwarrende tijden zou het goed zijn om van Duitsland als de traditionele drijvende kracht achter de Europese integratie te horen hoe men zich de toekomst van Europa voorstelt, zowel met betrekking tot de verbreding als de verdieping.

Kortom: tot nog toe ontbreekt het in Duitsland aan een grondige herijking van de Europese en buitenlandse politiek. Het ontbreekt aan een grand strategy die richting kan geven aan de Europese en internationale politiek. Het gevolg is vooral een politiek van ad hoc en pragmatisch reageren op problemen en vraagstukken die van buiten worden aangedragen. En dat leidt onvermijdelijk tot onvoorspelbaarheid en een troebel beeld. Duitsland kan niet langer voortmodderen met oude concepten en rolvoorstellingen. Of Guido Westerwelle als de nieuwe minister van Buitenlandse Zaken in staat zal zijn tot een nieuwe positionering van Duitsland in het Europese en internationale krachtenveld te komen, valt te betwijfelen.

Intussen zou hij wel samen met Angela Merkel een paar personele beslissingen kunnen nemen om de Duitse aanwezigheid in Brussel te versterken. Het is lang geleden dat er een krachtige Duitse commissaris in de commissie zat. Wolfgang Schäuble als opvolger van Verheugen zou al een hele verbetering zijn. En wat te denken van Frank-Walter Steinmeier als de nieuwe Hoge Vertegenwoordiger voor Buitenlandse Zaken en Veiligheidsbeleid? Hij heeft het fractievoorzitterschap nog wel naar zich toe moeten trekken. Van aftreden kan nu geen sprake zijn, maar de vleugelstrijd binnen de partij is al in alle hevigheid ontbrand. Voor Steinmeier ligt de toekomst niet in de SPD. Wellicht in Europa?

Prof.dr. Ton Nijhuis is wetenschappelijk directeur van het Duitsland Instituut Amsterdam.