Collaborerende bedrijven moeten dokken

Nog altijd zoeken slachtoffers van de de apartheid hun recht. Mikpunt zijn westerse bedrijven die in hun ogen met de blanke machthebbers schaamteloos zaken deden.

Mpho Masemola heeft granaatscherven in zijn hoofd. Zo veel, dat geen dokter ze durft weg te halen. Sinds begin jaren tachtig zitten ze daar. In die tijd, hij zat toen nog op de middelbare school, raakte Mpho Masemola betrokken bij de ondergrondse strijd tegen het apartheidsregime. Bij rellen dreven politieagenten hem en nog een aantal activisten een huis in. Eenmaal binnen werd het huis van alle kanten onder vuur genomen.

Zijn middelbare school was nog niet af toen hij in 1985 als politieke gevangene naar Robbeneiland werd gestuurd. Martelingen volgden. En in 1990, toen hij net als Nelson Mandela vrijkwam, was er geen werkgever die op de gehandicapte ANC-radicaal met leerachterstand zat te wachten. „Ik wilde dokter worden, maar daarvoor was het te laat”, zegt Masemola in zijn bescheiden huisje in de township KwaThema, een uur rijden ten oosten van Johannesburg.

De regen klettert hard op het plaatstalen dak als hij uit een kast een indrukwekkende stapel dossiers tevoorschijn haalt: 25 jaar hoofdpijn, het daglicht kan Masemola niet verdragen, schrijven de artsen. Aan de muur in de huiskamer, naast een kleurig stilleven met bloemen, hangt in zwartwit een norse Lenin. „Kapitalisme leidt tot imperialisme”, citeert Masemola.

Röntgenfoto’s van Masemola’s schedel liggen bij de rechtbank in New York. Als bewijslast tegen bedrijven die hij aansprakelijk stelt voor de martelingen en voor zijn gemiste kansen op een goede opleiding en fatsoenlijk werk. Hij eist compensatie van de Duitse wapenleverancier Rheinmetall AG, omdat dit bedrijf volgens hem de veiligheidstroepen van het apartheidregime van materieel en logistieke steun voorzag. Ook computerbedrijven als het Amerikaanse IBM en en het Japanse Fujitsu moeten over de brug komen. Zij zouden computersystemen hebben geleverd die de blanke machthebbers in staat stelden de gehate pasjeswetten in te voeren.

Namens hem en nog twaalf ander eisers klaagt de Amerikaanse advocaat Michael Hausfeld de betrokken bedrijven in Amerika aan wegens hun steun aan het Zuid-Afrikaanse regime. Hausfeld is een vermaard specialist op het gebied van class action suits, grote groepsprocessen, meestal tegen het bedrijfsleven gericht. Hun steun, zegt de advocaat in zijn aanklacht, „had een substantieel effect op het plegen van criminele en martelactiviteiten en werd geleverd met het doel deze activiteiten mogelijk te maken”. Zij „profiteerden van de apartheid en, dientengevolge, van het geweld dat gebruikt werd ten koste van de klagers”. De eisers beroepen zich op de uit 1789 daterende Alien Tort Claims Act (ATCA), een tweeregelig wetje dat het voor niet-Amerikanen mogelijk maakt om in Amerikaanse gerechtshoven een civiele procedure tegen schenders van „the law of nations” te voeren.

Mpho Masemola en zijn twaalf mede- eisers zijn niet de enigen die de de bedrijven ter verantwoording roepen. Drie afzonderlijke groepen eisers hebben in de Verenigde Staten al in 2002 hun eerste aanklacht ingediend. Een van de groepen werd aanvankelijk vertegenwoordigd door de showadvocaat Ed Fagan, die voor slachtoffers van de Holocaust met Zwitserse banken een schikking van 1,25 miljard dollar trof. Deze Fagan eiste voor de apartheidsslachtoffers 400 miljard dollar. Maar hij werd wegens wangedrag uit de orde van advocaten gezet en van hem is de laatste jaren weinig meer vernomen. Hausfeld wil geen bedragen noemen. „We willen een substantiële vergoeding”, zegt zijn Kaapse medepleiter Charles Abrahams.

Zeven jaar na de eerste aanklacht zijn Abrahams en Hausfeld wél succesvol. Afgelopen april gaf een districtsrechter in New York de eisers groen licht om hun proces tegen de ondernemingen in de VS voort te zetten. Aanvankelijk richtte de aanklacht zich tegen een veelheid aan multinationals, waaronder ook Shell en een groot aantal banken die in de jaren tachtig de machthebbers in Zuid-Afrika noodkredieten verschaften om leger en politie hun werk te kunnen laten doen. De rechter oordeelde dat de advocaten niet overtuigend hadden aangetoond dat financiële instellingen, zoals bijvoorbeeld Barclays Bank, directe schade hadden veroorzaakt bij hun cliënten. Na slepende procedures is nu nog maar een handvol bedrijven over. Naast Rheinmetall en IBM zijn dat Daimler, Ford en General Motors. Alleen het Duitse Daimler heeft gereageerd. Het ontkent ooit met de Zuid-Afrikaanse veiligheidstroepen te hebben samengewerkt. De overige bedrijven weigeren commentaar.

Het wetje uit 1789 waaronder geprocedeerd wordt, was lang vergeten en kort na de Amerikaanse revolutie vooral bedoeld om ambassadeurs en koopvaarders te beschermen, maar heeft sinds de jaren tachtig een enorme comeback gemaakt, zegt ATCA-specialist Jonathan Drimmer van Georgetown University in Washington. Onlangs nog diende ook in New York een ophefmakende zaak tegen Shell, aangespannen door nabestaanden van de geëxecuteerde activist Ken Saro-Wiwa. Die zaak werd, net als de Holocaust-zaak, vlak voor het proces geschikt. Die uitkomst was „bemoedigend”, meent advocaat Charles Abrahams.

Want ook voor de apartheidszaak zou een schikking geen slechte oplossing zijn. „De slachtoffers hebben al lang genoeg gewacht”, meent Tshepo Madlingozi van de Khulumani Support Group, een organisatie van slachtoffers van de apartheid die ook de juridische strijd van Mpho Masemola financieel steunt. „Een schikking is ook voor de grote ondernemingen vaak het beste”, zegt Drimmer. „Zij hebben dan minder advocaatkosten en kunnen zelf de negatieve publiciteit een halt toebrengen.” Voor de eisers is het ook niet slecht. „Ze zijn al ver gekomen met hun zaak, maar de bewijslast blijft toch heel lastig,” zegt hij.

Door de toename aan ATCA-processen maken ondernemingen zich grote zorgen, weet Drimmer. „Er is meer jurisprudentie om de bedrijven ter verantwoording te roepen. Mensenrechtenkwesties worden steeds belangrijker.” En dat is precies wat de voorstanders van de herstelbetalingen voor apartheid willen. „Onze zaak gaat niet alleen over het apartheidsverleden, maar ook over hoe bedrijven zich in het algemeen gedragen in landen waar de mensenrechten geschonden worden”, zegt advocaat Abrahams. En de Zuid-Afrikaanse hoogleraar politieke economie Patrick Bond zegt: „We moeten grote ondernemingen duidelijk maken dat als ze samenwerken met foute politieke regimes, ze achtervolgd worden en moeten dokken. De schikking met Shell liet zien dat de macht van grote ondernemingen gestopt kan worden.”

Tot voor kort waren de apartheidclaims de Zuid-Afrikaanse regering een doorn in het oog. Ex-president Thabo Mbeki hekelde het „juridisch imperialisme” vanuit Amerika. Zijn minister van justitie schreef de rechtbank in New York dat de Zuid-Afrikaanse regering voortgang van de zaak ontraadde, omdat het investeringsklimaat in Zuid-Afrika ermee in gevaar zou komen.

Maar de met de Nobelprijs onderscheiden econoom Joseph Stiglitz verklaarde als „vriend van het hof” dat voor die aanname „geen basis” bestaat. Als de bedrijven die met het apartheidsregime samenwerkten ter verantwoording worden geroepen zou volgens Stiglitz juist „een beter zakenklimaat” gecreëerd worden. Herstelbetalingen zullen „bijdragen aan de groei en ontwikkeling van Zuid-Afrika”, schreef Stiglitz in een openbare brief aan de rechter. Ook oud-aartsbisschop Tutu, destijds voorzitter van de na de apartheid opgezette Waarheids- en Verzoeningscommissie, heeft zich achter de claims geschaard. De aangeklaagde bedrijven, benadrukte hij, hebben de waarheidscommissie nooit om amnestie gevraagd.

De nieuwe Zuid-Afrikaanse regering van president Jacob Zuma heeft afgelopen maand de rechtbank in New York laten weten de bezwaren van Mbeki niet te delen en diens verzet tegen het proces op te geven.

Die ommezwaai van de regering wordt door de eisers gevierd als een grootse zege, maar Dave Steward, de woordvoerder van de laatste blanke president van Zuid-Afrika, F.W. de Klerk, vindt het een „onvoorstelbaar dom besluit”. In krantenartikelen maakt Steward zich geregeld boos over het Amerikaanse proces. „Wat weet een rechtbank in New York in hemelsnaam van de complexiteit van Zuid-Afrika in de jaren tachtig?” vraagt hij zich af. „Als we zo doorgaan, dan kan ieder bedrijf dat zaken doet met een land dat een iets minder perfecte staat van dienst op het gebied van mensenrechten heeft aangeklaagd worden. Dan investeert niemand meer in China en dat is slecht voor de wereldeconomie”, meent hij. „Buitenlandse bedrijven investeerden niet in Zuid-Afrika wegens de apartheid, maar juist ondanks de apartheid. Wie voor het eind van de apartheid in 1994 in Zuid-Afrika actief was, had met alle mogelijke complicaties te maken die je elders niet had.”

In township KwaThema zit Mpho Masemolo klaar om in New York zijn zaak te verdedigen. „Die bedrijven moeten hun lesje leren”, zegt hij. „Ze hebben over onze hoofden heen veel geld verdiend aan een politiek systeem waarin arbeiders onderdrukt werden.” Nadat de rechter in april dit jaar de zaak ontvankelijk verklaarde, zijn de bedrijven opnieuw in beroep gegaan. „Dit is een lang proces”, verzucht hij. „Ik hoef mijn koffer voorlopig niet te pakken.” De zaak dient weer in januari 2010.