Pagodeverhitting

Weermeting
Weermeting

Nooit is deze rubriek actueel. Wat hier de ene week in de krant verschijnt kan net zo goed de andere week worden afgedrukt. Of een jaar later. Dat de iepen het ene jaar wat kaler zijn dan het andere. Dat een beek zijn eigen water niet kan terugpompen naar de oorsprong. Dat de mens in cirkels loopt. Wie heeft er haast mee?

Maar vandaag is het anders. Vandaag staat deze rubriek in het centrum van een storm die zomaar deze week opstak.

Wat is er aan de hand? Er is onmin uitgebroken onder Hollandse weerkundigen. De ene groep verwijt de andere dat ze niet betrouwbaar meet en laat zelfs doorschemeren te denken dat ze het opzettelijk niet goed doet. Om het broeikaseffect wat aan te dikken. Geloof het of niet, maar er zijn zelfs Kamervragen over gesteld. Is het de minister bekend, enzovoort. De vragen gingen naar minister Cramer die het weer helemaal niet onder haar vleugels heeft.

Het gaat om een meetmast die het KNMI heeft verplaatst. De temperatuur die de meetmast registreert komt gemiddeld wat hoger uit dan de temperatuur die voorheen als de temperatuur van De Bilt werd opgegeven. Andere weerkundigen zouden niet van de verplaatsing hebben geweten en zo ten onrecht de indruk hebben gekregen dat het in De Bilt warmer is geworden.

Zoiets. Het gaat om een verschil van nog geen halve graad. Er valt aan toe te voegen dat het een mirakel was geweest als er géén verschil was opgetreden want temperatuurmetingen hebben altijd een heel lokaal karakter. Van plaats tot plaats verschillen de invloeden van straling, weerkaatsing en wind. Het beste lijkt om maar nooit iets aan een weerhut of meetmast te veranderen, maar dat is ook geen oplossing omdat de omgeving verandert. Er worden huizen gebouwd en afgebroken, bomen geplant en bomen geveld. Van tijd tot tijd moet de meetopstelling wel worden verplaatst of aangepast en dan ontstaat onvermijdelijk een inhomogeniteit in de meetreeks. Meteorologen hebben daarmee leren omgaan. Ze laten de oude en de nieuwe meting lange tijd parallel lopen om een indruk te krijgen van de verandering.

Maar nu. Twee weken geleden is in deze rubriek onderzocht of er als gevolg van broeikaseffect en klimaatverandering in de nabije toekomst meer hittedoden of juist minder koudedoden zullen vallen. Minder koudedoden, was de conclusie. De kou maakt hier onder hoogbejaarden altijd meer slachtoffers dan de hitte. Bovendien, en daar gaat het nu om, valt nog te bezien of het wel zo heet gaat worden. De over het jaar gemiddelde temperatuurstijging, die onmiskenbaar is, is vooral het gevolg van warmere nachten en extra dagen waarop het wat warmer is, zonder dat het daarbij echt heet wordt.

Voor de aardigheid was een grafiek afgedrukt van de temperatuurmaxima die de laatste 80 jaar in de Bilt geregistreerd waren. Daaruit bleek dat het in de jaren veertig eigenlijk veel warmer werd dan tegenwoordig. De zomer van 1947 kent zijn weerga niet. Voorlopig hoeven we ons niet druk te maken, was de teneur.

Kort daarop arriveerde de e-mail van Hans Visser, statisticus bij het Planbureau voor de Leefomgeving dat niet ver van De Bilt ligt. Met vriendelijke woorden en dan de zin ‘Maar helaas, die reeks met maxima is helemaal fout.’ Visser stuurde een eigen analyse van de jaarmaxima die De Bilt sinds 1900 had gemeten. Hij staat hierboven, inclusief betrouwbaarheidsmarges, een trend en een rare sprong rond 1950. De meetreeks van het KNMI is sterk inhomogeen, schrijft Visser, omdat het instituut tot 1950 gebruik maakte van een soort pagode waarin op hete dagen veel warmte bleef hangen. Ook al door weerkaatsing van het gras. In 1950 nam het KNMI een Stevenson-hut in gebruik waarin het op die heetste dagen van het jaar veel koeler bleef. Het verschil zou volgens Visser voor de geregistreerde jaarmaxima wel 3,7 graden bedragen. Breng je daarvoor een correctie aan dan blijkt dat het tegenwoordig ongekend heet wordt. En dat 1947 helemaal zo bijzonder niet was.

3,7 graden. Dat is wat anders dan het halve graadje door de verplaatsing van een meetmast. Visser heeft zijn analyse al in 2007 samengevat in een rapport van het planbureau dat toen nog MNP heette, ’t rapport was gereviewed door het KNMI. Maar of het KNMI ook akkoord ging met de analyse was niet duidelijk.

Het kwam ongelukkig uit dat het instituut door de meetmastonplezierigheden deze week net even mediastilte hield, maar gisteren kon toch helderheid worden gegeven. Nee, het instituut gaat om de dooie dood niet akkoord met die 3,7 graden. Er is inderdaad een inhomogeniteit in onze reeks, schrijft meteoroloog Theo Brandsma in een e-mail. Die heeft twee verklaringen. In de eerste plaats werd in september 1950 de pagode vervangen door de Stevenson-hut die een klein stukje westelijker kwam te liggen. En in augustus 1951 werd de Stevenson 300 meter naar het zuiden verplaatst waarbij hij in meer open terrein kwam te staan. Er ís een neerwaartse sprong, maar volgens een analyse uit 1989 is die maar 1,6 graden. Nog niet de helft van wat Visser denkt.

Een planbureau versus een weerinstituut. Is hier menselijkerwijs uit te komen? Misschien. Ook het Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut (NIDI) had een mail gestuurd. NIDI-onderzoekers onderzochten de historische relatie tussen erg hoge en erg lage temperatuur en de extra sterfte die daarvan het gevolg is. De resultaten waren net aangeboden aan de vakbladen en het is jammer dat hier de ruimte ontbreekt om op het prachtige onderzoek in te gaan. Vandaag slechts een detail. De oversterfte is door de NIDI-onderzoekers uitgedrukt in een parameter die ‘mortality ratio’ is genoemd. Het is de verhouding tussen de sterfte die op een dag wordt gemeten en het gemiddeld aantal doden dat in het betreffende jaar dagelijks valt. In de moderne tijd komt die ratio bij zeer hoge uitzondering boven de 1,5. Maar op de heetste dag van die beruchte zomer in 1947 was hij in Drenthe en Gelderland precies 2,0 Daaruit zou je kunnen afleiden dat het toen toch ongekend heet was.