Een sigaarrokende kanarie geeft commentaar

Peter van Olmen: De kleine Odessa. Het levende boek. Met illustraties van Nicole de Cock, Van Goor, 474 blz. € 18,95

Hoe origineel moet een schrijver willen zijn? Originaliteit garandeert immers geen kwaliteit. Mag je het een auteur verwijten als hij het inventief hergebruik van een oorspronkelijk romanidee verkiest boven het slecht uitwerken van een nieuw idee? Zoals de Vlaamse Peter van Olmen heeft gedaan in zijn vuistdikke fantasy Het levende boek?

Van Olmen is bij het schrijven van zijn debuut niet alleen geïnspireerd door Dostojevski, Melville, de zussen Brönte, maar hij heeft vooral gekeken naar de Duitse Cornelia Funke en haar Inkt-trilogie: ruim 1700 bladzijden avontuur (1200 te veel, maar dat terzijde) over door voorleeskunst tot leven gewekte boekpersonages die heen en weer reizen tussen hun boekwereld en Funkes fictieve werkelijkheid. Ook in Het levende boek verschijnen en verdwijnen mensen en mythische figuren in en uit het verhaal, met ‘muzenpoeder’. Maar anders dan in Hart van Inkt zijn deze veelal afkomstig uit de wereldliteratuur en vervullen ze met hun onsterfelijke scheppers een passende rol in het voortrazende, gelaagde verhaal.

Dat verhaal vertelt over het opgroeiende meisje Odessa – een dichttalent – dat ergens in een oude stad, tijdens een donkere regennacht aanschouwt hoe haar moeder door spookachtige wezens wordt ontvoerd. Het is het begin van een spannend avontuur waarbij Van Olmen effectief langs de grens tussen werkelijkheid en fantasie loopt, met veel onverwachts trapgestommel en duistere fluisterstemmen. Wanneer Odessa met haar ‘beschermheer’ Lode. A. – een sigaarrokende kanarie die de gebeurtenissen met humor becommentarieert en relativeert – ontdekt dat de muze Calliope haar moeder is, besluit ze zowel haar moeder te vinden alsook haar onbekende vader ‘met wie ze zich innerlijk verbonden voelde, over tijd en ruimte heen’.

Odessa’s queeste brengt haar in de verborgen stad Scribopolis waar alles, soms met een knipoog, naar de boekenwereld verwijst: ‘Fraaie taal zonder verhaal’ siert de gevel van een in ‘prestigieus onleesbaar werk’ gespecialiseerde boekenwinkel; Kafka bewaakt de ondoorzichtig opgestelde regels van ‘de Raad der Onsterfelijken’; Hamlet vervult de hem op het lijf geschreven rol van bemiddelaar. En Sherlock Holmes en Hercule Poirot gaan een hilarisch, maar vruchtbaar samenwerkingsverband aan.

Behalve de setting is ook Odessa voldoende boeiend. Gaandeweg groeit innerlijke twijfel over haar afkomst. Is Odessa’s gefantaseerde vader een verheerlijkte leugen? Verwijst de ‘dark lady’ in Shakespeares sonnetten naar haar moeder en is Shakespeare haar vader? Of is het de talentvolle schrijver Mabarak, geïnspireerd op Shakespeares ‘fair youth’ (‘rival poet’), die de werkelijkheid wil (be)sturen door te schrijven in het verdwenen, magische boek Boekus?

Van Olmen bevraagt hier zowel de verantwoordelijkheid van de schrijver als de keuzevrijheid van ieder individu. Is fantasie bedoeld om de wereld te ondersteunen of beteugelen? In hoeverre mag je het leven onderwerpen aan wat een boek ‘predikt’? Hoewel deze vragen enigszins verloren gaan in het breedvoerige verhaal en ondanks het onoorspronkelijke uitgangspunt is Het levende boek lezenswaardige fantasy.

Des te spijtiger is het dat een volwaardig einde ontbreekt. Waarom zegt Odessa tot slot dat ‘ze voelde dat haar avontuur nog niet over was’? Het is zonde om een interessant personage en verteltalent te verspillen aan te veel inkt en een serie die commercieel gewin doet vermoeden. ‘Een boek geschreven zonder muze is lopendebandwerk’, zegt Van Olmens Shakespeare. Hopelijk neemt zijn schepper dat ter harte.

    • Mirjam Noorduijn