De natuur treurt mee

Volgens Vincent van Gogh gaf zijn leermeester Anton Mauve in ieder schilderij ‘een stukje van zijn leven’ en raakte hij met zijn kunst aan ‘de oplossing van het levensprobleem’. Mauve hield hartstochtelijk van de natuur, en ook van dieren.

Piet Mondriaan, ‘Zelfportret’, 1918. Olieverf op doek, 85 x 70 cm.
Piet Mondriaan, ‘Zelfportret’, 1918. Olieverf op doek, 85 x 70 cm. Gemeentemuseum den Haag

Omstreeks 1885, kort nadat hij zich in het Gooise dorpje Laren had gevestigd, begon Anton Mauve aan een voor hem uitzonderlijk schilderij. Dit keer zette hij zich niet aan het weergeven van een schaapskudde met herder, een moestuin, een boerenerf, aardappelrooiers of een zandpad over de hei, dit keer schilderde hij een zelfportret. Hij beeldde zichzelf af tegen een atelierwand vol olieverfschetsen, die hij buiten in de natuur had gemaakt.

Mauve laat ons het moment zien dat hij even opzij kijkt en zichzelf monstert met een blik in de spiegel. Maar met die blik kijkt hij ook ons aan, een beetje hautain en neerbuigend lijkt het wel. Mauve was ongeveer 47 toen hij dit Zelfportret schilderde. Een paar jaar later, in 1888, zou hij op 49-jarige leeftijd overlijden.

Het zelfportret van Anton Mauve heeft een wonderlijke gelijkenis met een zelfportret dat Piet Mondriaan ruim dertig jaar later, in 1918, eveneens in Laren schilderde. Mondriaan was toen 46. Ook hij werpt op zijn portret een oplettende blik over zijn schouder. Net als het zelfportret van Mauve is ook dit zelfportret geschilderd in bruine en witte tinten, al voert het wit bij Mondriaan meer de boventoon. En net als Mauve plaatste Mondriaan zichzelf pal voor zijn eigen werk. Maar bij Mondriaan is de achterwand niet bedekt met landschapjes, hij laat ons daar een abstracte compositie van rechthoekige vlakken zien.

Het Zelfportret van Piet Mondriaan roept de vraag op of hij Mauves portret kende en of zijn eigen portret daar misschien een commentaar op was. Wilde Mondriaan met zijn zelfportret zeggen: de tijd van de stemmige landschappen van Mauve is voorbij, nu is de tijd van de Nieuwe Beelding aangebroken, van rechte lijnen, van abstractie?

Het is niet ondenkbaar. Het portret van Mauve werd in 1917 geveild, een jaar voordat Mondriaan zijn portret schilderde. Hij kan het toen gezien hebben, maar dat kan ook al eerder zijn gebeurd. Mauves zelfportret was tot de veiling in familiebezit en in de tijd dat Mondriaan in Laren en het aangrenzende dorp Blaricum verbleef – van 1914 tot 1919 – woonden daar twee zonen van Mauve, de zeeschilder A.R. Mauve en de architect Ru Mauve. Het is goed mogelijk dat hij hen heeft gekend.

In elk geval zal Mondriaan zich er goed van bewust zijn geweest dat hij daar in Laren in ‘Het land van Mauve’ woonde, een naam waarmee het dorp zich in die tijd al graag tooide. Middenin het dorp stond de Villa Mauve waarin sinds 1905 de Larensche Kunsthandel was gevestigd. „Mauve had het armoedige weversdorp in de mode gebracht”, schreef de dichteres Henriëtte Roland Holst, die in 1893 voor het eerst in Laren kwam. Het dorp werd aan het begin van de twintigste eeuw overspoeld door Mauve-epigonen die er de schapen op de heide, de boerenerven en -binnenhuizen kwamen schilderen. Mondriaan was een van de weinige schilders in Laren die hier niet aan meededen, met zijn Nieuwe Beelding zette hij zich er juist tegen af. En wie weet, was zijn Zelfportret uit 1918 ook wel een verwerping van die oude kunst van Mauve.

In Laren is nooit een straat of plein naar Piet Mondriaan genoemd, maar de naam van Anton Mauve duikt nog overal op. Op de Brink staat sinds 1907 de Mauvepomp, er is een restaurant Mauve, een Mauvevijver en het Mauvezand – een straat vlakbij een van zijn geliefde schilderplekjes, een kleine zandverstuiving. En er blijkt ook nog altijd een restant te zijn van wat vroeger het ‘Boschje van Mauve’ heette.

Dat pittoreske dennenbosje nam Mauve graag als achtergrond, ondermeer op het doek Heide te Laren, nu in het bezit van het Rijksmuseum. Van de vele landschappen met schaapskudde die hij vanaf 1866 in het Gelderse Oosterbeek, later in de duinen bij Den Haag en vooral in Laren heeft geschilderd, is dit een van de mooiste. Het laat een herder zien die met zijn kudde in de richting van een donkere dennengroep aan de horizon loopt. De schapen op het doek zijn niet te tellen, ze vormen een ritmisch uitwaaierend geheel van wollige, ronde boogjes op een losjes geschilderde vlakte van wit zand en heide, alleen doorbroken door wat iele berkenstammetjes.

Het landschap dat Mauve hier schilderde zou enkele decennia na zijn dood plaatsmaken voor villa’s. Omstreeks 1917 riep de schrijver van een wandelgidsje voor het Gooi de gemeente Laren op om het ‘Boschje van Mauve’ aan de Torenlaan niet aan die villabouw op te offeren: „De Gemeente behoorde het te bewaren als een reliqui, er trotsch op te zijn als op den oorsprong van haar welvaart en bloei – het den vreemdeling te wijzen als een heilige erfenis van den grooten meester!”

Die oproep werd verhoord. Toen architect Wouter Hamdorff in 1919 op dit perceel een landhuis met tuin ontwierp, kreeg hij de opdracht om het dennenbosje te sparen. Hamdorff drapeerde de voorkant van de villa half om het bosje heen. En in de achtertuin nam hij de berkenbomen die Mauve op zijn Heide te Laren had geschilderd als aanzet tot een berkenlaan naar een prieel achterin de tuin, precies op de plaats waar Mauve vaak aan het werk was geweest. Van het bosje zijn nu nog veertien hoge dennen over waarachter Hamdorffs villa Oranjestein schuilgaat. Ik ben er in mijn jeugd ontelbare keren langsgelopen, maar dat dit het legendarische Mauvebosje was, hoorde ik nu pas.

Anton Mauve kwam in 1882 voor het eerst in Laren werken. Hij woonde toen nog in Den Haag waar hij, net als andere schilders van de Haagse School, vaak naar de duinen en het strand trok. In die tijd, omstreeks 1875, werd hij bekend om de dampige atmosfeer in zijn doeken, zijn parelgrijze palet dat hem tot ‘de meester van het zilveren licht’ maakte.

De Haagse stadsuitbreidingen, die ook de duinen aantastten, waren voor Mauve een reden om hier weg te gaan. In Laren vond hij wat hij zocht, hij was meteen lyrisch over het landschap, zoals blijkt uit zijn brieven. In 1882 meldde hij aan zijn vrouw die nog in Den Haag was: „’t Is aandoenlijk mooi hier, van een fijnheid van lijnen, een lieflijke poezij straalt uit alles, binnenhuizen, wegen, akkers, boschjes [...] en wat ik geniet, ik kan het niet zeggen, ik zou hier wel altijd willen wonen.” In een andere brief schreef hij: „’t Is hier heerlijk. Ik jubel steeds.” Hij noemde Laren „luilekkerland voor een schilder”.

Maar ook in Laren was het wel zo dat zijn hand schilderde wat zijn ogen wilden zien. Een van zijn bekendste doeken, De Torenlaan te Laren (1886), toont een zandweggetje met diepe karrensporen omzoomd door bomen en kale heide. Vlak langs dat zandweggetje liep toen al sinds enkele jaren het spoor van de Gooische stoomtram. Dat tramspoor schilderde hij op dit doek niet.

En al schreef hij dat Laren voor hem ‘het beloofde land’ was, toch verkeerde Mauve ook hier niet altijd in een jubelstemming. Hij leed zijn hele leven aan depressies, gevolgd door manische periodes waarin hij dan weer een enorme productie had. Sommige werken lijken een regelrechte uiting van zijn inzinkingen, zoals het desolate landschap Het Moeras (1885). In vale tinten schilderde hij een drassige heide onder een lucht vol regenwolken waarin zeven kraaien vliegen. Het is een magistraal schilderij dat in zijn grauwe zompigheid overkomt als één grote weeklacht.

Anton Mauve was in de jaren vijftig van de negentiende eeuw in Haarlem begonnen als een schilder van dieren en van gedetailleerd weergegeven, romantische landschappen. Pas later, in Oosterbeek en Den Haag, zou hij vrijer en spontaner gaan schilderen, in een losse toets. Hij vond de stad ‘eene afschuwelijke inrigting’ en hij was het liefste buiten met zijn schilderskist. Als hij mensen afbeeldde, dan waren het meestal boerinnen, herders of houthakkers, mensen die bij het landschap hoorden en erin bezig waren.

Mauve hield hartstochtelijk van de natuur, uit zijn brieven blijkt hoe boomkruinen in de mist, een bosbeekje, of een akker bij avondlicht hem konden ontroeren. Volgens een tijdgenoot, de schilder Theóphile de Bock, kwam Mauves natuurliefde ‘een vrome aanbidding’ nabij.

En hij moet ook echt van dieren hebben gehouden. Paarden, koeien, schapen, in eindeloze variaties heeft hij ze geschilderd in zijn landschappen en stalinterieurs. Maar dat hij ook werkelijk met dieren begaan was, blijkt uit andere werken. Het is bijvoorbeeld te zien aan de aandacht waarmee hij in 1864 de hond van de schilder Jozef Israëls portretteerde, een hond die, met de tong uit de bek, klaar lijkt te zitten om achter een stok aan te hollen. Of aan de manier waarop hij een boerin geduldig naar een drinkend lammetje laat kijken. Of aan het schilderij Strandezels te Katwijk (ca 1876) waarop hij de in stille contemplatie verzonken ezelkoppen zo mooi wist te treffen dat je het schilderij wel zou willen aaien.

Mauves liefde voor dieren blijkt misschien nog het meest uit de serie tekeningen, aquarellen en schilderijen van een ‘bomschuit op het strand’ die hij omstreeks 1880 maakte. Op al die werken zijn paarden te zien die een grote vissersschuit het strand op moeten slepen en even staan bij te komen van hun inspanningen. Die stilstaande paarden voor die enorme platbodem op het strand zijn zo triest weergegeven, ze zien er zo afgejakkerd uit, dat een criticus uit die tijd opmerkte dat het leek alsof de hele natuur met hen mee treurde.

In 1881, toen Mauve in Den Haag werkte aan zijn laatste, en grootste versie van Bomschuit op het strand, was Vincent van Gogh als beginnend schilder een tijdje bij hem in de leer. Van Gogh was diep onder de indruk van dit doek. In een brief aan zijn broer Theo raakte hij er niet over uitgepraat. Het schilderij raakte naar zijn gevoel aan ‘la solution du problême de la vie’, de oplossing van het levensprobleem, door de wijze waarop Mauve de les van het ‘weten te lijden zonder klagen’ in beeld had gebracht. Hij schreef ondermeer: „Die knollen, die arme gehavende knollen, zwart, wit, bruin, zij staan daar geduldig onderworpen, bereid, geresigneerd, stil. Ze moeten straks de zware schuit nog het laatste eindje slepen, de karwei is haast gedaan. Eventjes stilstaan, ze hijgen, ze zijn bezweet – maar ze murmureren niet, ze protesteren niet – ze klagen niet, over niets. Daar zijn ze al lang overheen, sedert jaren overheen.”

Vincent van Gogh koesterde een grote bewondering voor Anton Mauve. Dat is wel te begrijpen als je ziet hoe houterig, schools en sentimenteel zijn eigen werk toen, omstreeks 1880, nog afstak bij dat van zijn leermeester Mauve. Die bewondering, en ook genegenheid, komt in veel van zijn brieven aan Theo tot uiting. Zo schreef Van Gogh in januari 1882 over Mauve: „Ik geloof dat hij in ieder schilderij en in iedere tekening een stukje van zijn leven geeft; hij is soms zo moe als een hond en hij zei laatst: ‘Ik word er niet sterker op,’ en wie hem toen op dat moment gezien had, zou niet licht die uitdrukking van zijn gelaat vergeten.”

Zes jaar later, in februari 1888, zou Anton Mauve, terwijl hij herstelde van een aanval van zwaarmoedigheid, plotseling overlijden. Een van de laatste doeken waarin hij ‘een stukje van zijn leven’ gaf, schilderde hij in Laren, zijn ‘beloofde land’. Vanuit de glazen serre aan zijn atelier, had hij ’s winters een goed zicht op de besneeuwde velden. Hier voltooide hij in de winter van 1887 het bijna twee meter brede doek Kudde schapen met herder in de sneeuw. Het toont een met grove streken geschilderde wemeling van kleuren in talloze schakeringen wit, lichtblauw en vuilgrijs, met als contrast de herder die in een paar snelle, donkere vegen is neergezet. De schapen zijn bijna geen schapen meer, maar een in de sneeuw verdwijnende massa. Het schilderij is niet abstract, zeker niet, maar het komt er wel dichtbij. Met dit laatste werk bewoog Mauve zich al in een richting die zou leiden naar de totale abstractie in de schilderkunst. Naar Mondriaan.