Ik wil meer dan praten alleen

Max Ohlenschlager was een gevierd radiopresentator bij de Wereldomroep.

Een paar jaar geleden gooide hij het roer om en ging moeilijke tieners begeleiden.

(Foto Lars van den Brink) foto: Lars van den Brink Onderwerp: Max Ohlenslager
(Foto Lars van den Brink) foto: Lars van den Brink Onderwerp: Max Ohlenslager Brink, Lars van den

Relaxte muziek draaien, reportages voor jongeren maken en daarmee ook nog prijzen winnen in New York en Tokio: Max Ohlenschlager (32) had het helemaal voor elkaar als presentator en producer bij de Wereldomroep. Toch besloot hij een paar jaar geleden zijn radiocarrière overboord te zetten om aan de slag te gaan in een opvanghuis voor tieners met problemen. Inmiddels is Ohlenschlager gezinsvoogd bij Bureau Jeugdzorg in Den Haag. Hij coördineert de zorg voor veertien kinderen tussen de nul en achttien jaar, die onder toezicht staan omdat zij volgens de Raad voor de Kinderbescherming op dit moment in hun ontwikkeling worden bedreigd. Naast zijn baan bij Jeugdzorg studeert Ohlenschlager in deeltijd orthopedagogiek. „Die combinatie van werk en studie levert een mooie wisselwerking op. Zo heb ik net een vak gevolgd over ADHD, een stoornis waar veel cliënten van Bureau Jeugdzorg aan lijden. Ik kan de theoretische kennis die ik opdoe meteen plaatsen.”

Waarom verruilde u uw radiocarrière voor een baan in de jeugdzorg?

„Ik had het idee dat ik meer in mijn mars had. Op een gegeven moment was ik gewoon klaar met de journalistiek. Bij de radio had ik het erg naar mijn zin, maar het voelde niet als mijn roeping. Ik maakte een jongerenprogramma en interviewde alle mogelijke jonge mensen: internetondernemers, modeontwerpers, maar ook verslaafde tieners of jongeren die de politiek in wilden. Ik vond het fantastisch om als radiomaker steeds het maximale uit mijn gesprekspartners te halen, maar uiteindelijk vond ik het te beperkt – omdat het maar bij vragen bleef.”

U wilde meer?

„Ik miste directe betrokkenheid. Na zeven jaar bij de radio maakte ik de balans op en stelde ik vast dat ik het meest geboeid was door die jongeren die het het moeilijkst hadden. Zoals tieners met schulden: de mobiele telefoontjes waren toen net in opmars, en sommige kids zaten ineens met een schuld van 30.000 gulden – dát vond ik interessant, of dakloze jongeren, of bijvoorbeeld tienermoeders. Ik dacht: ik wil met die mensen werken, niet alleen maar over ze praten.”

Als ongeschoolde kracht?

„In eerste instantie wel. Via een vriendin kon ik toen in Rotterdam als invaller beginnen bij een behandel- en trainingscentrum voor tieners met problemen. Mijn collega’s merkten dat ik een klik had met die jongeren, en ik deed ook iets meer dan een invaller hoefde te doen: ik schreef stukken en voerde uitgebreide gesprekken met jongeren. Toen kreeg ik van het opvangcentrum een baan aangeboden als pedagogisch medewerker, op voorwaarde dat ik in deeltijd naar school zou gaan. Ik ben sociaal pedagogische hulpverlening gaan studeren, en na mijn propedeuse stapte ik over naar de universiteit voor orthopedagogiek. Er ontwaakte in mij een enorme drang naar kennis. Ik verdiende minder geld dan toen ik nog bij de radio zat, maar ik voelde dat ik op mijn plek zat en dat ik hier voorlopig nog niet was uitgekeken, zoals ik dat bij de radio wel was.”

Waar komt uw interesse uit voort? Was u zelf misschien ook een lastige puber?

„Haha, nee, ik was eigenlijk heel braaf. Ik ben al mijn leven lang geheelonthouder, iets wat de jongeren met wie ik werk vaak niet kunnen geloven. Sinds een paar jaar heb ik geen televisie meer, en ook dat is voor veel kinderen onvoorstelbaar. Mijn interesse komt denk ik voort uit mijn allergie voor onderdrukking: ik vind dat álle kinderen het recht hebben om zich te ontwikkelen en te ontplooien.”

Wat is dan precies die ‘klik’?

„Ik stem bijvoorbeeld mijn woordkeus en lichaamstaal af op de jongeren met wie ik werk; soms gebruik ik straattaal om tot ze door te dringen. De energie en eerlijkheid van jongeren met moeilijkheden inspireren me. Zij komen door hun levenservaring vaak met onverwachts wijze uitspraken, waar ik van alles van leer. Op zo’n moment kan ik wel inpakken met mijn pedagogisch verantwoorde tips.”

In de media en in de politiek krijgt de gezinsvoogd nog al eens de zwarte piet toegespeeld. Dat lijkt me zwaar.

„Die reputatie kende ik wel toen ik voor dit vak koos. Ik vertelde mijn collega’s van het jongerenopvanghuis dat ik ging overstappen naar Bureau Jeugdzorg, en die deinsden echt een stukje achteruit en zeiden dan iets van: sterkte! Maar dat imago boeide me eigenlijk totaal niet; ik heb puur gekeken naar de inhoud van de baan. In het opvanghuis waar ik eerst werkte zaten jongeren van zestien tot achttien jaar die normaal begaafd waren, en ik wilde nu ook wel eens werken met andere leeftijden en kinderen die minder begaafd zijn of die psychische stoornissen hebben. Ik wilde ook weg uit Rotterdam en ik zocht een nieuwe uitdaging; deze baan bood dat. En na een jaar kan ik zeggen dat het heel goed bevalt. Geen dag is hetzelfde: je bent veel onderweg – het ene moment zit je bij kinderen thuis, dan weer in een jeugdinstelling, op kantoor of bij de rechtbank. Het blijft verrassend, want je maakt wel afspraken maar je werkt met een doelgroep die onvoorspelbare problemen heeft en daardoor kom je terecht in onverwachte situaties.”

Wat is het moeilijkste aan uw nieuwe baan?

„Tja, je cliënten zijn je samenwerkingspartners. Dus als een kind dat onder toezicht staat thuis woont en ik kom daar op huisbezoek, dan moet ik het doen met wat ik zie en hoor. Ik zet al mijn zintuigen helemaal open op het moment dat ik binnenstap, maar het kan natuurlijk zijn dat ouders alleen een rustig gedrag laten zien tijdens die bezoeken, en dat ze misschien voor mijn komst tegen hun kind hebben gezegd: je mag het niet daar en daar over hebben. Ik kan nooit honderd procent uitsluiten dat een kind wordt verwaarloosd of mishandeld. Dat vind ik soms wel moeilijk.”

Werkt dat dan ook door in uw privéleven?

„Dat is niet de bedoeling; anders slaap je niet. Ik doe mijn baan heel rationeel en scheid privé en werk bewust, woon ook in een andere stad dan waar ik werk. Aan het eind van de werkdag neem ik even al mijn cliënten door in mijn hoofd en dan stel ik mezelf de vraag: zijn de kinderen veilig? En als ik daarop ‘ja’ kan antwoorden, ga ik met een goed gevoel naar huis. Dat wil niet zeggen dat er dan geen problemen zijn, maar dat is het belangrijkste op dat moment: veiligheid. Gebeurt er vervolgens ’s nachts toch iets met een van de kinderen, dan vangt het Crisis Interventie Team dat op.”

Geen spijt van uw keuze?

„Ik mis de radio niet en journalistiek verleer je volgens mij niet. Dus ik zou altijd terug kunnen keren naar mijn oude beroep.”

Maar dat bent u nog niet van plan.

„Nee. Weet je, als je de berichtgeving in de media volgt lijkt het misschien alsof Bureau Jeugdzorg alleen maar de hele tijd kinderen uit huis plaatst, maar we kunnen ook genoeg zaken afsluiten. Dat zijn denk ik eigenlijk de mooiste momenten, als je voogd-af bent en tegen een gezin kan zeggen: jongens, jullie hebben het zó goed gedaan – jullie hebben mij nu niet meer nodig.”

    • Cecile Elffers