Zonder connecties ben je niets in Egypte

Elk jaar komen talloze Egyptenaren van de universiteit. Werk vinden ze nauwelijks. Zoals Karim. In een zomerserie vertellen jongeren over hun toekomst.

De buurtmoskee van Haram loopt uit. Het avondgebed zit erop in de overvolle volkswijk. Karim (24) – baard, eeltige bidvlek op het voorhoofd, kaki broek, polo met rechtopstaand kraagje en daaronder sandalen – sloft met tegenzin naar zijn stomerij. Een grote stapel vuile kleren wacht op hem. Hij werkt ’s avonds want overdag is het te heet. Maar ook na zonsondergang is het in de kleine ruimte ondraaglijk. Met het strijkijzer in de hand en de wasmachine in zijn rug breekt het zweet hem binnen enkele minuten uit.

„Mijn vader had andere plannen voor mij”, zegt Karim smalend. Hij had 35 jaar als klerk gewerkt bij een overheidsinstelling in de hoofdstad. Het was een respectabele baan voor iemand van lage komaf. Althans, toen de ambtenarij nog aanzien had. Maar voor zijn oudste zoon had hij grotere ambities. Lachend: „Hij denkt nog steeds dat ik ooit directeur van een staatsbedrijf kan worden.”

Een jaar geleden studeerde Karim af in de bedrijfskunde aan de prestigieuze Universiteit van Kairo, maar veel heeft het hem niet opgeleverd. Hij bestelt bij het tegenover gelegen theehuis een kop mierzoete thee en een waterpijp. Op een krakkemikkig stoeltje voor zijn bescheiden zaak laat hij de rook langzaam over zijn longen gaan. „Ik had al in mijn eerste jaar door dat mijn opleiding niets voorstelde.”

Iedereen die de middelbare school afmaakt, kan in Egypte naar een staatsuniversiteit en iedereen die de universiteit afmaakt, kreeg tot voor kort gegarandeerd een baan bij de overheid als er geen ander werk te vinden was. Dit beleid heeft ertoe geleid dat de overheid onder het aantal klerken bezwijkt. Nu die baangarantie niet meer geldt, is er een enorm overschot aan jonge academici die ondanks hun hooggespannen verwachtingen geen toekomstperspectief hebben.

Zoals Karim zijn er elk jaar honderdduizenden jonge Egyptenaren die de arbeidsmarkt opkomen. Ruim 30 procent van de bevolking is 24 jaar of jonger. Het gebrek aan werkgelegenheid voor deze nieuwkomers wordt gezien als een van de grootste problemen voor de toekomst van het land. De landelijke werkloosheid bedraagt officieel 11 procent, maar wordt door analisten onder jongeren tussen 18 en 30 jaar op 20 procent geschat. „Het is dus niet zo vreemd dat de jeugd bozer en pessimistischer is”, verklaarde onlangs Gamal Mubarak, zoon en gedoodverfd opvolger van president Mubarak.

„Ik heb ermee leren leven, maar veel van mijn vrienden zijn gefrustreerd”, zegt Karim. „Net als ik hebben ze iets gestudeerd waar ze in de praktijk niet veel aan hebben.” Daarom adviseert de regering om technische vakopleidingen te volgen in plaats van een universiteitsstudie. Maar voor veel ouders zou dat gezichtsverlies betekenen. „Ik had beter kunnen leren hoe je motoren repareert”, zegt Karim. Hij wijst naar de luidruchtige werkplaats verderop in de straat waar jongeren aan een brommer sleutelen. „Die verdienen nu al meer dan ik.”

Was onderwijs in de afgelopen decennia voor armen de uitgelezen kans op hogerop te komen, nu gaat het er vooral om welke connecties je hebt. „Zonder wasta ben je een mislukkeling”, aldus Karim. Baantjes worden gegund aan familieleden en mensen van wie je later iets kan terugverlangen. Kwaliteit doet er minder toe, zo is de veelgehoorde klacht. „Mijn vader kende niemand van betekenis”, zegt Karim. „Hij heeft nog geprobeerd bij oud-collega’s, maar niemand gaf thuis.”

Twintig jaar geleden was deze buurt nog vruchtbaar landbouwgebied. Nu is Haram volgeplempt met sombere roodbakstenen gebouwen die als rotte tanden enkele meters van elkaar verwijderd staan. De luidspreker van de moskee, toeterende auto’s, schreeuwende televisies en blèrende muziek uit buurtwinkeltjes zorgen voor een oorverdovend kabaal. Karim stoort zich er niet aan. Een ezelskar met verse cactusvijgen komt langzaam voorbij. Hij koopt er vier, snijdt ze open en trakteert.

Tijdens zijn studiejaren had Karim al een bijbaantje in een stomerij. „Het was het enige werk dat ik kende.” Met een lening van zijn vader en de buren huurde hij een goedkope ruimte naast een slagerij. De bloederige kadavers die buiten hangen deren hem niet. „We komen rond, godzijdank.” Daar is ook alles mee gezegd. Hij woont nog altijd met zijn twee jongere broers en drie zusjes bij zijn ouders in een kleine nabijgelegen flat.

Een vriendinnetje heeft Karim niet. Nooit gehad. „Dat is haram, ontoelaatbaar”, zegt hij. Zijn vader en oom zijn voor hem op zoek naar een geschikte kandidate. „Het is niet makkelijk om een goede vrouw te vinden.” Een makwagi, strijker, is geen goede propositie, realiseert hij zich. „Vrouwen willen steeds meer, ze zijn te veeleisend”, vindt hij. Wat zoekt hij in een vrouw? „Ze moet religieus zijn.”

De meeste vrouwen in de buurt lopen met gezichtssluier. „Zoals het hoort”, vindt Karim. Hij walgt van de „losse vrouwen” die ’s avonds op de brug over de Nijl met hun vriendjes lopen. Gelukkig is zijn wijk de afgelopen jaren behoorlijk religieus geworden. De relatief nieuwe moskee staat bekend om zijn rabiate imams. Sjeiks die op satelliettelevisie strenge fatwa’s uitvaardigen, trekken hier op vrijdag een volle bidzaal, vertelt Karim enthousiast. Hij hoopt dat zijn toekomstige vrouw zich ook aan Gods richtlijnen zal houden.