Zo moet de wetenschap de top bereiken

Nederlandse universiteiten zijn wereldkampioen in het gemiddeld zijn. Er is meer coherentie nodig in de onderzoeksagenda, zegt Robbert Dijkgraaf vandaag in de Domkerk.

Dames en heren,

Zo’n dertig jaar geleden begon voor mij hier in de Domkerk het academisch leven. Ik was vol anticipatie en enthousiasme om mijn eerste stappen in de wetenschap te zetten. Mijn zicht op de waardige handelingen op het podium was toen beperkt. Dat lag zeker aan mijn jeugdige onwetendheid, als niet onnozelheid, maar ook aan het feit dat ik half achter een pilaar zat en half achter de brede rug van de toenmalige burgermeester Henk Vonhoff.

U begrijpt: alle universiteiten zijn mij even lief, maar ik heb wat bijzonders met Utrecht. Nederland heeft wat met Utrecht, want uw universiteit neemt opvallend vaak binnen de Nederlandse delegatie de koppositie in op internationale ranglijsten.

Over die lijstjes wil ik het met u hebben. Op academische pikordes is veel af te dingen. Ze zijn willekeurig, eenzijdig en beperkt. Aan de bestuurstafels worden de resultaten dan ook schouderophalend terzijde gelegd, maar niet nadat eerst een angstige blik op de eigen positie is geworpen.

We kunnen ons zelfs de vraag stellen: is er een Nederlands lijstje te bedenken waarop ónze universiteiten per definitie hoog scoren? Mijn suggestie zou zijn als criterium een zo’n klein mogelijk kwaliteitsverschil tussen de instellingen te nemen. Bijna alle Nederlandse universiteiten zijn in de top-500 van bijna iedere ranglijst terug te vinden. Dat is een uitzonderlijke prestatie. Wij zijn wereldkampioen in het gemiddeld zijn. Daar is ons systeem ook op gericht.

Zijn er andere lijstjes waarop Nederland goed scoort? Jazeker. Nederland is nummer één in de bestrijding van malaria. Misschien relevanter voor vandaag: onze samenleving is wereldkampioen in het omarmen van nieuwe technologieën. Of nog dichter bij huis: Nederlandse wetenschappers scoren wereldwijd nummer twee in productiviteit en nummer drie in impact van hun publicaties.

Op andere lijstjes zijn we onze traditionele koppositie aan het kwijtraken, zoals de prestaties in het onderwijs, een terrein waar Nederland toonaangevend in de wereld was. Maar misschien nog wel belangrijker: de internationale positie van ons land wordt ondergraven door het simpele feit dat andere landen het zo veel beter zijn gaan doen. Wat kunnen we doen om de weg naar de top te vinden, los van de vraag om meer geld?

Allereerst is het Nederlandse wetenschapsveld verkaveld in een veelheid aan instellingen en instituten. We richten graag iets op, maar sluiten nooit iets af. Alles natuurlijk met de beste bedoelingen. Meer coherentie in de onderzoeksagenda is nodig om de internationale concurrentie aan te kunnen.

In deze bonte caleidoscoop zijn de universiteiten de natuurlijke brandpunten. Alleen zij hebben de kracht de kar van de Nederlandse wetenschap te trekken. Maar dan dienen ze wel kleur te bekennen. Zolang de overheid niet zal diversifiëren in de middelenstroom, en alle universiteiten hetzelfde profiel blijven kiezen, verandert er weinig. De universitaire wereld staat de komende jaren voor de opgave om tot een gezamenlijke strategie te komen, de krachten te bundelen en wetenschappelijke sleutelgebieden te versterken. Met scherpe keuzes moet duidelijk gemaakt worden waar de Nederlandse wetenschap goed in is en waar synergie te vinden is met het bedrijfsleven en de maatschappelijke wensen. Nemen universiteiten daarbij niet zelf de regie, dan zullen uiteindelijk anderen voor hen beslissen. Belangrijk is dat hierbij de volle breedte van de wetenschap omarmd wordt.

Coherentie wordt niet alleen buitenshuis, maar ook binnenshuis gevraagd. De ver doorgevoerde scheiding tussen de faculteiten en disciplines, hoe praktisch ook vanuit een bestuurlijk perspectief, verzwakt de intellectuele samenhang van het bouwwerk. Te vaak melden bloedgroepen zich afzonderlijk aan de Haagse loketten en gaat in het tumult een derde heen met de vette kluif.

De komende jaren dreigen serieuze bezuinigingen. We zullen er alles aan moeten doen om dat te voorkomen. Gelukkig neemt de stroom intellectueel kapitaal gestaag toe. Universiteiten zitten op een pot met goud. De nieuwe generatie studenten belichaamt de belangrijkste investering in de toekomst die ons land dit jaar maakt, ook al is ze niet in de Miljoenennota terug te vinden. De universiteiten hebben de zware verantwoordelijkheid de nieuwe wetenschappelijke, bestuurlijke en zakelijke elite van Nederland op te leiden. Het is ook hun taak de studenten op hun eigen verantwoordelijkheden te wijzen. Dat mag best wel eens gezegd worden, want dat doen we veel te weinig.

Universiteiten kunnen deze zware taken niet alleen aan. Een florerende kennisbasis is een noodzakelijk draagvak voor een innovatieve economie. De wetenschap vraagt op haar beurt een breed maatschappelijk draagvlak. Deze boodschap resoneert nog lang niet genoeg in de politiek. Kennis wordt koud en kaal gevonden, een technocratisch woordspel, dat maar weinig warme gevoelens oproept en door slechts een handjevol politici wordt omarmd.

Hier kunnen onderzoekers individueel, maar ook universiteiten collectief veel aan doen. We moeten de bal via de band spelen, het grote publiek bereiken, overtuigen en meenemen. We moeten laten zien dat wetenschappelijke kennis overal aanwezig is via concrete en aansprekende voorbeelden. Fundamentele academische waarden als de vrijheid van meningsuiting, kennis van zaken, het kritische debat en het internationale perspectief horen niet alleen in de collegezaal thuis, maar ook in de directiekamer of de vergaderzaal van de Tweede Kamer. Het is mijn volste overtuiging dat de potentiële waardering voor de wetenschap in de maatschappij groot is.

Ook vanuit het Innovatieplatform gaan we daarom de komende tijd een brede dialoog aan. Onder de noemer ‘vrienden van wetenschap’ zullen we met mensen uit de wetenschap, maatschappij, politiek en het bedrijfsleven spreken over de waarde van wetenschap voor ons allen en de keuzes die we op weg naar de top willen maken.

En dat brengt mij weer bij de lijstjes. Alle prachtige initiatieven ten spijt – en dat zijn er gelukkig steeds meer – moet het begrijpelijk uitdragen van wetenschap naar een breed publiek ook bij universitaire bestuurders en collega-onderzoekers gaan meetellen. Onderzoekers verdienen nu maar weinig ‘bonuspunten’ met publiekslezingen, scholierenactiviteiten of andere inspanningen richting maatschappij.

Waarom doen we het allemaal? Natuurlijk, vanwege de economie, de welvaart, het welzijn, de toekomst van het land. Maar de echte reden kan veel dichterbij zitten, misschien wel verscholen achter een pilaar in deze kerk.

Robbert Dijkgraaf is universiteitshoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam en president van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW). Dit is een verkorte versie van de toespraak die hij vandaag in Utrecht houdt ter gelegenheid van de opening van het academisch jaar.