Wende in Japan

Het lijkt op een revolutie met democratische middelen. De Japanse kiezer heeft een einde gemaakt aan ruim een halve eeuw hegemoniale macht, die nauw was verbonden met de dominante positie van de Verenigde Staten in Azië. In het lagerhuis bezet de Liberaal-Democratische Partij (LDP) na de verkiezingen van gisteren nog maar 20 procent van de zetels. De Democratische Partij van Japan (DPJ) veroverde bijna tweederde van de zetels.

Sinds haar oprichting in 1955 werd de LDP slechts één keer eerder verdreven: in 1993. De coalitie van democraten en socialisten, die vooral tegen de LDP was, hield het toen negen maanden vol. De verkiezingsuitslag is een uiting van hetzelfde protestgemoed. Maar de electorale klap voor de LDP is nu wel veel groter, ook omdat de positie van de DPJ binnen de nieuwe coalitie nu wel onbetwist is.

De zege van de DPJ is daarmee nog geen echte revolutie. In Japan doen formele krachtsverhoudingen er maar ten dele toe. De politieke macht wordt er niet gedragen door regering en parlement, maar is de resultante van gebundelde industriële en ambtelijke belangen. Komend premier Hatoyama, die de senaat met zijn DPJ al controleert, hoeft zich weliswaar niet druk te maken over parlementaire meerderheden. Maar het bureaucratische, economische en gerontocratische complex, dat hem als een loden last kan saboteren, moet hem juist wel zorgen baren. Daar komt bij dat ook de VS hem met argusogen volgen. De DPJ wil de banden met de VS losser maken ten gunste van China en Korea. De tanker laat zich niet snel bijsturen. Behalve als Hatoyama de electorale omwenteling laat volgen door een maatschappelijke.

Maar zo’n revolutie kan hij zich niet veroorloven, gezien de sociaal-economische toestand. Sinds 1992 verkeert Japan in een stagnatie waarvan het eind door de kredietcrisis ook nog eens niet in zicht is. De deflatie is niet tot staan gebracht. De banken zijn niet gesaneerd. Het begrotingstekort is door massale overheidsinvesteringen, die deels zijn verspild aan wegen en andere corruptiegevoelige projecten, onbeheersbaar geworden. Tegelijkertijd is de werkloosheid gestegen naar circa 6 procent, voor Japan een bijna satanisch niveau, en zijn de inkomensverschillen toegenomen, hetgeen in het collectivistische land eveneens moeilijk te verteren is.

De staatsschuld van Japan – na Europa, Amerika en China het vierde economische blok ter wereld – bedraagt nu meer dan 170 procent van het bruto binnenlands product. Alleen Zimbabwe heeft een hogere relatieve staatsschuld.

De DPJ en haar kleinere partners moeten al deze crises, die deels inherent zijn aan Japan en deels door mondiale trends worden aangewakkerd, te lijf gaan. Lichtende voorbeelden wenken daarbij niet. Het autoritaire Aziatische model is in Japan immers juist uitgewerkt en het liberale hervormingsconcept uit het Westen heeft weinig opgeleverd.

Als Hatoyama het land toch uit dit moeras omhoog trekt, weet hij de kwaliteiten van Baron van Münchhausen en Hercules in zichzelf te verenigen. Dat is heel veel gevraagd.