Smeer 's, smeer 's, ... boter op je brood

Slot van de zomerserie volksnamen voor ‘oom agent’. Van kaasjager uit Rotterdam tot zoet uit Zutphen.

Kaasjager en kaassie (1921). Waarschijnlijk alleen in Rotterdam gebruikt, want deze bijnaam voor ‘agent’ gaat terug op Dirk Kaasjager (1861-1949), die in 1909 chef werd van de pas opgerichte rijwielbrigade van de Rotterdamse politie. Stellig niet naar Hendrik Kaasjager (1891-1966), die in 1946 hoofdcommissaris van de Amsterdamse politie werd en daar veel stof deed opwaaien.

Kattebeier (1906). Verbastering van koddebeier, een 16de-eeuws woord dat door sommigen nog altijd wordt gebruikt voor ‘agent’. Koddebeier komt van kodde (‘knots’) + beieren (‘heen en weer zwaaien’).

Kip (1905). Kwam al ter sprake.

Kit. Reeds opgetekend in 1731, maar nog altijd volop in gebruik. Een politiebureau wordt wel een boutekit genoemd (en een wc vroeger ook wel, wegens bouten in de betekenis ‘poepen’).

Klabak (1885). In 1914 schreef de Winkler Prins: „Sommige bargoense woorden zijn tijdelijk of voorgoed in de algemeene taal overgegaan, bijvoorbeeld klabak.” Was lang vooral onder studenten populair. De herkomst is omstreden.

Klak. In de jaren dertig gehoord in Den Haag. „Een agent in burger werd een stille klak genoemd; hij was herkenbaar aan de rode dynamo aan zijn fiets”, schreef een lezer.

Klep. Door tien lezers ingezonden, allemaal gehoord in Breda, vanaf circa 1935.

Knikker op het dak. Amsterdam, 1905 en later. Naar de koperen knop op de helm van de brigadier. Vandaar ook knopsmeris, knopjuut. Een agent te paard werd wel knopknolsmeris, knobbelknolsmeris of knoltuut genoemd.

Kolenbak en kolendop (soms met de toevoeging: met poken). Gehoord in Den Haag.

Koper, koperen bout, koperbout, koperen knoop, koperlap en koperslager: kwamen al ter sprake.

Luis. Onder meer gehoord in Amsterdam en Leiden.

Peuk, peukie, peukiezoeker. Gehoord in Groningen en Veendam.

Pikker(d) . Haarlem, Wijk aan Zee, Overveen. Zeker sinds de jaren dertig.

Pino. Begin jaren vijftig (nog voor Sesamstraat dus) in Delft.

Pit. Enschede en Deventer. Zeker sinds eind jaren veertig.

Poedel, in 1905 opgetekend in Zutphen.

Scotoe. Uit het Sranantongo. Onder andere in de Rotterdamse straattaal.

Sjout, sjouter. Haarlem omstreeks 1960.

Smeris kwam al ter sprake, net als tuut. Spotrijmpje: „Smeer ’s, smeer ’s, ... boter op je brood.”

Vethol. Jaren vijftig in Tilburg.

Vijf maal acht (88888), vooral in Amsterdam, naar een oud telefoonnummer van de Amsterdamse politie. Ook de titel van een boek van Baantjer. Wouw en wout kwamen al ter sprake. Witte muis vooral voor ‘motoragent’, evenals witriem.

Zoet. Door diverse lezers gehoord te Zutphen, al zeker vanaf de jaren twintig. „Bij ‘gevaar’ van naderende agenten werd er geroepen: zoe-oe-te melk en kouwe thee, het ‘zoet’ op hoge toon, de rest steeds lager”, aldus een lezer.

Over al deze woorden valt meer te vertellen, maar hier zetten we een punt.