Ontzag voor Vasalis

Het afgelopen weekend wilde ik een ander boek uitlezen, maar om een of andere reden slaagde ik er maar niet in het pas uitgekomen Briefwisseling 1951-1987 van de dichteres M. Vasalis en haar uitgever Geert van Oorschot neer te leggen.

Ik had een boek verwacht waarin uitgever en schrijver veel bakkeleien over rechten en royalty’s, maar waarin literatuur en leven – laat staan de dood – te weinig aan bod komen.

Het tegenovergestelde bleek het geval. De bekende schermutselingen over contractuele zaken zijn er wel even, maar al snel krijgen belangrijker kwesties de overhand.

Als de correspondentie in 1951 begint, heeft Vasalis al twee bejubelde bundels op haar naam staan. Er zal er bij haar leven nog maar één volgen, Vergezichten en gezichten in 1954. Met ijzeren volharding probeert Van Oorschot haar in tal van brieven een vierde bundel te ontfutselen. Geen compliment, vleierij en knieval is hem te veel, maar het zal hem niet lukken. Vasalis dicht en publiceert af en toe nog wel, maar bundeling houdt ze tegen.

De reden blijft onduidelijk – dat is vooral voer voor haar biograaf Maaike Meijer, die volgend jaar met haar boek komt.

Dankzij deze briefwisseling kreeg ik de indruk dat Vasalis te weinig overtuigd was van de kwaliteit van haar werk, het was alsof ze er steeds minder in geloofde.

In 1975 schrijft ze: „Als ik van de leeftijd van de 50ers was geweest had ik ook de pest gehad aan het werk van mevr. V. Ik heb het nu – 25 jaar later ook. Niet aan ál mijn gedichten, ik vind dat ik een paar goede heb gemaakt, en daar sta ik nog achter.”

‘Een paar goede’ – Van Oorschot moet er tandenknarsend kennis van hebben genomen.

Ik geloof niet dat ik overdrijf als ik haar zijn dierbaarste auteur noem. Hij hield in gelijke mate van haar werk en haar wezen. Natuurlijk, ze verkocht goed, iets waar hij als zakenman-uitgever zeker niet ongevoelig voor was, maar hij viel ook voor haar persoonlijkheid.

Lezend in haar brieven kon ik me dat goed voorstellen, want ze komt erin naar voren als een oprechte, wijze, humane vrouw met een helder oordeel over allerlei kwesties en mensen.

Daarbij kan haar proza, net als haar poëzie, klinken als een klok. Haar brieven wemelen van de mooie, trefzekere zinnen.

Je kunt merken dat Van Oorschot groot ontzag voor haar had. „Stel je voor dat ik je achting en vriendschap en liefde door mijn gedrag zou verliezen”, schrijft hij ergens.

Zoals Van Oorschot Vasalis als dichter in leven probeerde te houden, zo vocht Vasalis vele jaren later voor het leven van Van Oorschot. De brieven die ze elkaar schrijven in het zicht van zijn dood vormen het beste deel van het boek, ze voeren het naar een triest, maar indrukwekkend hoogtepunt.

Vasalis bejegent hem met veel deernis, maar ze blijft hem de waarheid zeggen. Als Van Oorschot tot op zijn sterfbed zijn zoon en opvolger Wouter verdoemt, bijt ze hem toe: „Je verstoot, ja je vervloekt Wouter – met zijn hele gezin erbij – hoe denk je dat de uitwerking daarvan zal zijn? Je ziet alleen je eigen ontgoocheling en verdriet – het zijne niet. Ik heb dat wel gezien, met eigen ogen.”

We weten niet hoe Van Oorschot die zinnen heeft geïncasseerd. Hem als uitgever kennende, vermoed ik dat hij in ieder geval gedacht heeft: verdomd goed geschreven.