Kruidige tuinfrustraties

Als je een tuin hebt, heb je ook heel nieuwe frustraties, waar je vroeger toen je die tuin nog niet had helemaal geen weet van had. Tuinjaloezie. Ik weet niet of het een woord is maar het is een duidelijk gevoel. Dat gevoel dat bij vele anderen (álle anderen – welnee, overdrijf toch niet zo) alles beter groeit en bloeit en er ook veel netter uitziet.

Ze hebben manshoge dahlia’s, hun Oost-Indische kers produceert juist vooral de hele dieprode bloemen alsmede die lichtgele met rode streepjes en niet vooral die hard oranje exemplaren. Die leuke moderne afrikaantjes die ik heb geplant staan bij hen in grote bossen gewoon pérken te omzomen terwijl het bij mij één polletje is dat de vorige keer de winter niet helemaal heeft overleefd.

Hoor ik iemand met zo’n van afschuw opgetrokken rimpelneus zeggen: a-fri-káán-tjes?!

Ja. Afrikaantjes. Die ruiken ten eerste heel lekker, naar munt, en ten tweede heb je nu heel mooie langstelige, met gloeiende dieprood en oranje hartjes en fluwelen randjes – je weet niet wat je ziet. Echt niet. Vooral niet bij mensen die kans zien om ze overvloedig te laten bloeien. Mensen die ook kattesnorren weten op te laten groeien tot hoge trillende bizarriteiten, in plaats van dat uit hun zorgvuldig gezaaide en gekoesterde en toegesproken plantjes niet meer dan één slap snorretje overblijft dat amper een bloempje produceert en maar één snorhaartje.

Dan hebben die andere mensen ook kruiden. Dikke bossen peterselie, een hele afdeling dragon, grote potten basilicum, lavas die te hoog wordt om overheen te kijken. Bij mij vreten de slakken zulke dingen op. En dan doe ik ze inpotten, om ze te kunnen beschermen, en dan gaan ze gewoon jaar in jaar uit staan kwijnen. O, ze doen het wel hoor. Ze komen elk jaar dapper terug. Maar alles aan ze straalt uit: ik heb het niet naar mijn zin. En je durft er echt niet royaal van te plukken want dan zijn ze gewoon weg.

En toch, dat is wel gênant, ben ik heimelijk trots op mijn tuin en op elke bloem die het per ongeluk doet en zelfs op die kruiden, al was het maar omdat het zo’n immens goed-levengevoel geeft om met een schaar naar buiten te lopen om kruiden te gaan plukken.

Ik heb ook zes tomaten aan eenplant, die ga ik een dezer dagen plechtig eten. Maar overal hebben ze nu tomaten, lekkere rijpe, in verschillende kleuren – op biologische markten hebben ze bijna zwarte: heel donkerroodgroene tomaten die nog smaken bovendien. Vanwege dit alles deze geurige en zeer mooie spaghetti.

Verwarm de oven voor op 200 graden. Snij de tomaten als ze groot zijn in vieren, de kleinere doormidden en doe ze in een ovenvaste schaal. Bestrooi met peper, zout, chilivlokken en suiker, giet er de balsamico en de olijfolie bij en roer even goed door elkaar. Zet 20 minuten in de oven.

Kook de spaghetti. Hak de kruiden fijn. Schaaf dunne plakken van de peccorino.

Doe de spaghetti in een wijde schaal, de tomaten erbovenop. Daaroverheen geschaafde peccorino en de kruiden. Bovenop nog een paar kaasschaafseltjes, en de bloemen (ach, een paar maar, voor het mooi en je kunt ze gewoon opeten) van de Oost-Indische kers.