Hoger onderwijs moet meer smaken bieden

Het hoger onderwijs moet anders, zegt minister Plasterk. Het grote aantal studenten vereist dat er meer niveaus binnen het hoger onderwijs komen.

Een discussie beginnen is wel aan minister Plasterk (Onderwijs, PvdA) besteed. Eerder sprak hij over het probleem dat kinderen al op elfjarige leeftijd worden geselecteerd voor een type middelbaar onderwijs. Nu is het stelsel van hoger onderwijs aan de beurt. Dat moet worden herzien, vindt Plasterk.

Volgens de bewindsman voldoet het stelsel van twee soorten hoger onderwijs – hoger beroepsonderwijs en universiteit – niet langer om de grote en diverse studentenpopulatie op te vangen. Bovendien lijken veel universitaire studies op hbo-studies en dreigt de klassieke wetenschap uit het zicht te raken.

Plasterk benadrukt dat hij geen visie wil opleggen aan het onderwijs. „Slechts ter illustratie” laat hij zien waar het hoger onderwijs wat hem betreft naartoe moet. Een van de voorbeelden is Californië, waar het hoger onderwijs is verdeeld in vier niveaus. Als een van de problemen van het Nederlandse hbo ziet de minister het verschil in niveau tussen studenten die van het mbo komen en ex-vwo’ers. Door meer onderwijsniveaus aan te bieden, zegt de minister, kan ieder op zijn eigen niveau studeren.

Plasterk noemt ook de university college als voorbeeld. Dat is een brede, kleinschalige, puur academische opleiding waarvan er momenteel vier bestaan in Nederland. De bewindsman, wiens zoon begint met een studie aan een van de university colleges, zegt dat er „grote behoefte bestaat” aan dit type onderwijs.

In het hoger beroepsonderwijs zijn de reacties op het plan van Plasterk enthousiaster dan op de universiteiten. Dat ligt voor de hand. Zo zegt voorzitter Doekle Terpstra van de HBO-raad dat het hbo „al langer tegen de houdbaarheidsdatum van het stelsel” aanloopt. Meer nog dan universiteiten heeft het hbo te maken met een zeer diverse studentenpopulatie, afkomstig van vwo, havo en mbo. Bovendien zijn er meer allochtone studenten dan op de universiteit. Het bestaande stelsel, zegt Terpstra, „is een mal waarbinnen weinig variëteit mogelijk is.”

Ook collegevoorzitter Henk Pijlman van de Hanzehogeschool Groningen is enthousiast. Hij noemt het bestaande onderscheid tussen hbo en universiteit „vaak kunstmatig”. Waarom, vraagt hij zich af, worden maatschappelijk relevante hbo-masters niet bekostigd door de overheid en kleine, universitaire talenstudies wel?

Vereniging van Universiteiten VSNU noemt het plan van Plasterk bij monde van voorzitter Sijbolt Noorda „een goed idee”. „Misschien is het beter om een vierstromenland te hebben. Als tegen de 50 procent van de studenten hoogopgeleid moet zijn, is het een gekke gedachte dat ze allemaal op dezelfde manier worden opgeleid.”

Noorda sprak al eerder over het Californische model als voorbeeld voor het Nederlandse hoger onderwijs. „We hébben al vier varianten: associate degree, university college, hogeschool, universiteit – en die gaan we zichtbaar maken.”

Volgens collegevoorzitter Roelof de Wijkerslooth van de Radboud Universiteit Nijmegen is het goed dat de minister zich zorgen maakt. „Maar het altijd lastig om zo’n stelseldiscussie tot een goed einde te brengen. Ook wekt Plasterk, misschien onbedoeld, de indruk dat universiteiten alleen zouden opleiden voor de wetenschap. Maar 90 procent van de universitaire studenten komt niet in de wetenschap terecht.” Een derde kritiekpunt van De Wijkerslooth is dat de minister nadrukkelijk lonkt naar de Verenigde Staten. „We kunnen het ons niet veroorloven om Europa te negeren.”

Zijn collega Karel van der Toorn van de Universiteit van Amsterdam „herkent” de opmerkingen van de minister. „We kunnen geen maatwerk leveren op dit moment. Maar je moet niet de illusie hebben een stelselwijziging dat verhelpt. De essentie is dat we nu te weinig geld hebben om de individuele student de aandacht te geven die hij verdient.”