En dat ben ik

De oude vrouw bij wie ik op bezoek was, reikte een fotoalbum aan. Ze wilde haar hond laten zien, de hond die ze had toen ze begin twintig was. Het album stopte niet met de hond in de tuin van het grote huis, het toonde een jonge vrouw in witte jurken, een vrouw die later moest kuren in Zwitserland en ook daarvan zag je foto’s, in de sneeuw met andere jonge vrouwen, met jonge mannen.

Je weet eigenlijk helemaal niet wat je ziet als je naar iemands foto’s kijkt. De bezitter van het album zegt zo af en toe: „en dat ben ik”, en je kijkt en zoekt naar iets bekends en als je dat vindt, denk je ‘ja, dat is zij of hij’. Maar wie is dat?

In je eigen albums is het nog moeilijker en tegelijkertijd verwarrend gemakkelijker. Je bent vertrouwd met de foto’s zoals je ze ziet, waardoor je kunt denken: ach ja, dat is E., wat is hij daar nog blond! En D. is eigenlijk niet veel veranderd, en dat ben ik, natuurlijk ben ik dat.

Maar wat dacht ‘ik’? Wat voelde ‘ik’ toen? Je probeert het je te herinneren en er komt wel wat – de mistig grijze kleur van een Duits zomerlandschap, het stof van een Griekse weg onder je sandalen, het praten aan tafel met de ramen open. Maar hoe het écht was? Daar kom je niet makkelijk bij. Zeker niet als je naar kinderfoto’s kijkt, dat kind is je zo vreemd. Toch is er wel een weg binnendoor beschikbaar die maakt dat je op het balkon kunt zitten met je bord karnemelksepap, koude pap met draden stroop, en beneden ligt het landje waarop je straks zal gaan spelen.

Zulke beelden zijn beschikbaar. Ze zeggen alleen niet veel over wie je was. Daar heb je desgevraagd best het een en ander over te zeggen. Allerlei verhalen kun je daarover vertellen, je kunt dingen uitleggen en verklaren en een beeld schetsen van hoe je was en in zekere zin nog bent. Hoeveel daarvan waar is, is de vraag.

We vierden de verjaardag van een tachtigjarige en hij nam het woord en vertelde over zijn leven. Dat viel te verwachten. Maar hoe hij het deed, was verrassend: hij sprak alsof wat hij zei de beschrijving was van wat hij deed. In de derde persoon. „Natuurlijk moest hij ook iets zeggen, dat werd van hem verwacht. F. stapte naar de microfoon en bedankte degenen die…” enz. Hij leverde commentaar op zijn eigen toespraak – „Snoeven was de bedoeling niet” – dreef de spot met zichzelf, peinsde over wat er allemaal in de wereld gebeurd was in die tachtig jaar, hernam zich, „hij moest toch ook iets persoonlijks zeggen”.

Het klonk sterker als iets wat verzonnen was dan als hij ‘ik’ had gezegd. Tegelijkertijd leek het waarachtiger: er was immers een objectieve verteller aan het woord.

Ik las de laatste tijd een paar romans waarin ook zulke trucs worden uitgehaald: het hoogst grappige Deaf sentence van David Lodge en Zomertijd van Coetzee. Lodge laat zijn hoofdpersoon die quasi een dagboek bijhoudt, af en toe overschakelen in de derde persoon en dan zie je meteen wat een verbluffend effect dat heeft: meer afstand, meer mogelijkheid tot relativeren en tevens een grotere suggestie van authenticiteit, je kijkt immers naar de hoofdpersoon, als buitenstaander.

Coetzees fictionele autobiografie bestaat uit interviews, gehouden door een biograaf die het leven van John Coetzee in de jaren zeventig wil beschrijven. De geïnterviewden laten zich niet overdreven gunstig over de hoofdpersoon uit. Koud is hij, op elk gebied, seksueel, emotioneel, maar ook intellectueel, hij is nooit eens begeesterd. Hij is een man van theorieën, bijna geen mens van vlees en bloed.

Hier slaat de objectiviteit van de derde persoon weer om in subjectiviteit: het zijn maar meningen en visies van geïnterviewden. Maar die convergeren zo dat je moet denken dat het wel waar zal zijn als iedereen het er zo over eens is: een kille, geremde figuur, deze Coetzee. Ook als schrijver trouwens.

Dat is natuurlijk alleen maar een verhaal dat de schrijver over zichzelf wil vertellen. Anders dan bijna iedereen staat hij zich geen enkele zelfvertedering toe en evenmin zelfspot, die misschien ook een vorm van zelfvertedering is.

Ze keek op van haar scherm. Was het wel waar wat ze daar opschreef? Zouden lezers denken: ja, zo is dat met zelfspot of haalden ze het eind van haar column over het algemeen niet? Waar wilde ze trouwens heen? Weer eens zeggen dat we de waarheid over onszelf niet kunnen achterhalen, dat zelfkennis een illusie is? Of probeert ze nu te beweren dat al die gelogen verhalen wel degelijk een waarheid vormen, maar een waarheid die zo moeilijk te interpreteren is, en die zo vormbepaald is, dat je na aftrek van de vorm niets overhoudt. Want zo is het wel, denkt ze, terwijl ze naar buiten staart.

Wat Coetzee over zichzelf vertelt is vast waar, maar het is ook fictie en spel en bedrog. Hij dwingt ons hem zo te zien als de geïnterviewden doen, we kunnen niet om hen heen kijken. Maar zouden we zijn fotoalbums kunnen zien, en daarin een lachende jonge man omringd door mooie meisjes aantreffen, dan zouden we niet ineens beter weten hoe het zat.

Ze buigt zich weer naar de toetsen en schrijft: het is onmogelijk jezelf aan anderen bekend te maken, en bij die anderen hoor je zelf ook. Maar zinloos zijn de pogingen niet.

Reageren kan op nrc.nl/vos (Reacties worden openbaar na beoordeling door de redactie.)