Een koel bouwwerk

Een man krijgt iets hards op zijn hoofd, herstelt en krijgt 8,5 miljoen om te zwijgen.

Tom McCarthy’s debuut heeft de trekken van een klassieker.

Het komt niet vaak voor dat je na de eerste bladzijden van een roman de indruk krijgt dat je een toekomstige klassieker aan het lezen bent. Dat wat overblijft, het debuut van de Engelse schrijver Tom McCarthy (1969) is zo’n boek. Het verscheen in 2005 onder de titel Remainder en is nu vertaald.

Aan het begin van de roman is de naamloze verteller net uit het ziekenhuis ontslagen, waar hij is verpleegd omdat er iets op zijn hoofd is gevallen. Waardoor hij is getroffen, blijft onduidelijk: hij heeft 8,5 miljoen pond schadevergoeding gekregen, op voorwaarde dat hij niemand vertelt wat hem is overkomen. Dat is een mooie vondst van McCarthy. Het spreekverbod zorgt meteen voor een vervreemdende sfeer, die de rest van de roman niet verdwijnt.

Terwijl hij zijn draai probeert te vinden, krijgt de verteller op een feest opeens een levendige en gedetailleerde herinnering aan een appartementencomplex. Hij kan de herinnering niet thuisbrengen, maar raakt geobsedeerd door de beelden, de geluiden en de geuren die de ervaring bij hem oproept. Op het moment waarop hij beseft dat hij rijk genoeg is om het complex na te laten bouwen, heeft hij zijn bestemming gevonden. Hij laat niet alleen het appartementencomplex nabouwen, hij huurt ook acteurs in om de bewoners te spelen. Hij eist van iedereen een gekmakende nauwkeurigheid bij het naspelen van het beeld dat hij in zijn hoofd heeft.

Al snel laat hij ook andere gebeurtenissen opnieuw opvoeren, zoals een wonderlijk voorval dat hem overkomt als hij zijn auto naar de garage brengt. Hij wordt bij zijn ‘heropvoeringen’ terzijde gestaan door zijn assistent Naz. Op een gegeven moment organiseren ze zelfs heropvoeringen van heropvoeringen. Net als je denkt dat het verhaal in een eindeloze regressie terechtkomt, krijgt de verteller een geniale inval waardoor de opvoeringen weer het domein van de werkelijkheid worden binnengevoerd – met desastreuze gevolgen.

Waarom is Dat wat overblijft zo’n goed boek? Niet alleen wegens het intrigerende uitgangspunt, maar ook doordat McCarthy de droge, onaangedane toon van de verteller tot het einde toe weet vol te houden, zodat je als lezer volledig meegaat in diens waanzin. Dat wat overblijft is een originele roman, een koel, uitgebalanceerd bouwwerk dat na voltooiing een grote vanzelfsprekendheid uitstraalt, alsof het al jaren staat.

Behalve schrijver is McCarthy ook kunstenaar. Hij is actief in de International Necronautical Society, een ‘semifictief avant-gardenetwerk’ dat zich spiegelt aan de futuristen uit het begin van de twintigste eeuw. Zijn fascinatie voor de functie en werking van kunst klinkt duidelijk door in zijn debuutroman. De pogingen van de verteller om het eenmalige te herscheppen, zou je kunnen opvatten als metafoor voor het schrijverschap zelf. Toch legt McCarthy het er nergens te dik bovenop – op dat ene moment na, waarop hij een van de medewerkers aan de heropvoeringen naar het nummer ‘History Repeating’ van The Propellerheads laat luisteren.

Maar het kan erger: een jaar na zijn afgewogen debuut publiceerde McCarthy Tintin and the Secret of Literature. In dit boek worden de avonturen van Kuifje geanalyseerd aan de hand van filosofen als Barthes en Derrida, en dan blijkt bijvoorbeeld de smaragd die wordt gestolen in De Juwelen van Bianca Castafiore eigenlijk te staan voor de clitoris van de titelheldin. Je vraagt je af of het een parodie is, maar McCarthy lijkt het in al zijn enthousiasme serieus te bedoelen.

Gelukkig revancheerde hij zich in 2007 met zijn tweede roman, Men in Space, die zich afspeelt in kunstenaarskringen in Praag en Amsterdam. Het boek is voller en chaotischer dan Dat wat overblijft, maar er keren dezelfde thema’s in terug. Ook hier staan reproductie en duplicatie centraal. Het plot draait om een kunstvervalser die tegen alle afspraken in niet één, maar twee kopieën maakt van een oude icoon.

Men in Space is onevenwichtiger dan McCarthy’s debuut, maar bevat wel het ontroerendste personage uit zijn oeuvre tot nu toe: de anonieme veiligheidsagent die Praagse maffiosi schaduwt en afluistert, en wiens in ambtelijke taal gegoten rapporten steeds weer in het boek opduiken. Door de slechte apparatuur waarmee hij moet werken, wordt hij langzaam doof, en zijn verslagen worden steeds warriger en persoonlijker. Ook als hij allang de illusie is kwijtgeraakt dat zijn rapporten nog bij zijn bazen zullen terechtkomen, gaat hij door, want hij kan niet anders. Ook dit personage is op te vatten als metafoor voor het kunstenaarschap maar net als in Dat wat overblijft gaat ook hier de symboliek nergens ten koste van het verhaal. Dat is een teken van talent; een goede schrijver weet te voorkomen dat er al tijdens het lezen symbolen door de pagina’s gaan schemeren.

Een belofte kun je McCarthy niet noemen. Dat stadium lijkt hij gewoon te hebben overgeslagen. Uit zijn werk spreekt het terechte zelfvertrouwen van een schrijver die weet wat hij kan en plezier heeft in zijn werk. Soms gaan zijn enthousiasme en zijn zelfverzekerdheid met hem op de loop. Dat moeten we hem maar vergeven, want die eigenschappen hebben bijzonder werk opgeleverd.

Tom McCarthy: Dat wat overblijft. Vertaald door Mario Molegraaf. Prometheus, 272 blz. € 22,50