Banken China schuiven probleem slechte leningen voor zich uit

Economische crisis of niet, de Chinese kredietverleners zijn in topvorm. De grootste drie beursgenoteerde banken van het land, Industrial Commercial Bank of China (ICBC), Bank of China en China Construction Bank (CCB), hebben allemaal balansen met benijdenswaardig weinig slechte leningen, dankzij de snelle groei van China en een verbluffende financiële goocheltruc waarbij 300 miljard dollar van hun balans verdween.

Dat bedrag bestaat uit de slechte leningen die de drie banken aan het begin van dit decennium hebben ‘geloosd’. Destijds riep de Chinese Volksbank vier beheermaatschappijen in het leven, die de rommel moesten opruimen van twintig jaar onbekommerd krediet verlenen. Maar de daaruit voortvloeiende verliezen liggen nog steeds op de loer en worden steeds moeilijker te negeren.

Het plan was dat deze beheermaatschappijen de grote banken van hun giftige leningen zouden verlossen, en daarna zouden proberen terug te krijgen wat ze konden. In ruil hiervoor gaven ze obligaties uit, waarvan de rente zou worden voldaan uit de opbrengst van de leningen die nog wel te innen waren. Hierdoor konden de banken weer vrolijk verder gaan met hun kredietactiviteiten.

Er zat alleen een nogal grote adder onder het gras. De beheermaatschappijen kochten de leningen op voor soms wel 100 procent van de nominale waarde, terwijl ze wisten dat ze er nooit meer dan 20 tot 30 procent van zouden terugzien. Dat betekent dat de obligaties die de drie banken in bezit hebben, en die dit jaar beginnen te vervallen, waarschijnlijk vrijwel waardeloos zijn. In theorie zou het ministerie van Financiën uiteindelijk het verschil bijpassen, maar het is onwaarschijnlijk dat dat ook echt gebeurt. Het bedrag dat de drie banken tegoed hebben komt ruwweg overeen met een zesde van de Chinese belastinginkomsten over 2008.

Gelukkig zijn er twee zeer Chinese alternatieven voorhanden. Het ene is het omzetten van de obligaties in aandelen. ICBC en CCB hebben al gesuggereerd bereid te zijn belangen in de beheermaatschappijen te nemen in ruil voor hun obligaties, hoewel moeilijk is in te zien hoe de aandelen van deze beheermaatschappijen ooit de waarde van de uitstaande obligaties zou kunnen benaderen.

Het andere alternatief is het eenvoudigweg steeds weer uitstellen van de vervaldatum van de obligaties. Maar de bedragen die op het spel staan zijn niet kinderachtig. Bovendien zijn de banken op aandringen van de staat opnieuw snel veel geld gaan uitlenen, om Chinese bedrijven door de crisis te helpen. Als die nieuwe debiteuren straks ook oneindig lang uitstel van betaling krijgen, kunnen de bankbalansen echt krakkemikkig worden en meer chirurgische ingrepen nodig hebben.

Toch kan China’s snelle ontwikkeling de pijn wel enigszins verzachten. Het bbp van het land is sinds begin deze eeuw bijna verdrievoudigd. Zolang China blijft groeien, en de aflossing van de kredieten blijft uitstellen, zal het probleem van de oninbare leningen in relatieve zin steeds kleiner worden. De financiële goocheltruc zou dus nog wel eens kunnen werken ook.

John Foley