Zijn rechters partijdig? Ja .

Magistraten en advocaten zouden vaker en met meer respect met elkaar moeten praten, wil de baas van het OM. Onzin, meent de 70-jarige nestor van de strafrechtadvocaten Jan Boone. ‘Officieren van justitie zijn hondsonbetrouwbaar.’

In een lege, hoge zaal van de rechtbank van Amersfoort staat Jan Boone voor de politierechter. Het is vrijdagmiddag 21 augustus. Voor hem ligt het dossier van een niet-aanwezige cliënt verdacht van huiselijk geweld. In gebogen houding bladerend in het dossier houdt Boone een betoog van een paar minuten. Hoe kort het ook is, hij stelt tot twee keer toe dat „steunbewijs voor de belastende verklaringen ontbreekt”.

Hij is nog niet gaan zitten of de rechter spreekt zijn cliënt vrij. Bij gebrek aan bewijs.

Toch beent Jan Boone (1939), met zijn zeventig jaar nestor van de Nederlandse strafrechtadvocaten, even later kwaad naar zijn auto, zich onderwijl ontdoend van bef en toga. Hij heeft zich geërgerd aan het praatje dat de rechter na het uitspreken van het vonnis had aangeknoopt. De rechter was blij geweest hem weer te zien: hij was, had hij vernomen, ernstig ziek geweest? Van het sigarettenroken, wellicht? Al vijftien jaar geleden mee gestopt? Nu ja, fijn te horen dat alles onder controle is.

Zo was het gegaan. Bijna grommend had Boone de vragen beantwoord.

„Wat heeft hij te informeren naar mijn privézaken in de rechtszaal? Alleen maar omdat ik de voorpagina van de NRC gehaald heb! Dan tel je mee in rechtersland, als je de NRC of Nova haalt. Dan zijn ze ‘blij’ je te zien. Dat bedoel ik nu, met campingmentaliteit.”

Met die term ‘haalde’ Boone deze maand de voorpagina van deze krant. „Je reinste campingmentaliteit” was zijn reactie op de oproep van Harm Brouwer, voorzitter van het college van procureurs-generaal van het openbaar ministerie, aan magistraten en advocaten om meer met elkaar te praten, in een zogeheten trojka-overleg.

Brouwer deed zijn aansporing na kritiek geuit te hebben op door hem als beledigend gekwalificeerde uitspraken over het OM, gedaan in de Pers, door advocaten, onder wie Boone. Victor Koppe had aanklager Koos Plooij beschuldigd van het plegen van meineed. Boone had betoogd dat dezelfde Plooij ‘zijn moeder nog (zou) verkopen voor zijn carrière’.

’s Ochtends, vóór het bliksemzittinkje in Amersfoort, dendert de zon naar binnen door de open ramen van Boones kantoor aan de Markt in Wijk bij Duurstede. Achter zijn bureau kraait de strafrechtadvocaat bij vlagen van de pret. Zijn krassende stemgeluid gaat dan over in snaakse uithalen. „Het meisje van De Pers is nog zo aardig geweest mijn verzoek in te willigen om er ‘zou’ van te maken, ik hád gezegd: hij verkóópt zijn moeder nog voor zijn carrière. Haha. Maar dat ‘campingmentaliteit’ is ze helemáál in het verkeerde keelgat geschoten, want daar hebben ze niet meer op gereageerd. Als ze er het zwijgen toe doen, is het pas echt erg.”

Ook zonder actuele aanleiding gaat een gesprek met Jan Boone onvermijdelijk over zijn strijd tegen de magistratuur. Maar eerst: wie is Jan Boone? Strafrechtadvocaat te Wijk bij Duurstede. Heel veel verder komt hij zelf in eerste instantie niet. Nu ja, een journalist schreef ooit dat hij het voorkomen van een patriciër had.

Pas later komen de verhalen. Thuis was het armoe troef. Ja, een rare jeugd gehad, hij was een straatwijs jong met een goed ontwikkeld gevoel voor rechtvaardigheid, dat zijn vuisten wist te gebruiken. „Ik heb te lang en te koppig de waarom-vraag gesteld. Ik herken me in de jonge Marokkanen van vandaag, ik heb sympathie voor ze. Het zijn pubers, alleen kreeg ik destijds een klap voor mijn kop en zij halen de krant. Volkomen opgeklopt. Gisteren kreeg zo’n jong dat ik verdedig tien jaar voor een overvalletje. Absurd.”

In Rotterdam geboren, in Lunteren opgegroeid, zonder vader, met twee zussen. Moeder ruziede met haar ex-man, de vader die hij niet kende, over geld. Dan moest hij, jongetje van vier, vijf, mee naar de openbare telefoon, meeluisteren naar het geruzie, via het meeluisterapparaat dat telefoons toen hadden.

„Aan die rare jeugd ontleen ik de overtuiging dat jongens niet zonder vader kunnen en ik heb er een afschuw van ruzies aan overgehouden. Dat meeluisterapparaat was verschrikkelijk: je kon niets terugzeggen. Het was pure machteloosheid.”

Hij doorliep het gymnasium in Overveen en is nu dankbaar voor de lessen Latijn en Grieks: „Juist die dode talen leren je concies te zijn, en zuiver te denken. Van de talen zelf weet ik weinig meer, maar ik heb erdoor leren redeneren.” Hij wilde er wel bijhoren, bij de betere kringen. „Richesse heeft één voordeel: ze kunnen zich permitteren aardig te zijn.” Hijzelf staat onverschillig tegenover geld. Hij werkt nog steeds, omdat hij pensioen noch spaarpot heeft, maar toch vooral omdat zijn werk zijn hobby is.

Nu de strijd tegen de magistratuur. Die begon in de jaren zeventig, nadat Boone een vierjarige loopbaan als reclasseringsambtenaar had afgesloten. Met confrères Max Moszkowicz sr., Piet Doedens, Gerard Spong, Theo Hiddema maakte hij werk van de rechten van verdachten, in navolging van de beroemde B. F. J. Simon, advocaat van de oorlogsmisdadiger Pieter Menten. „Dat was nieuw. Voordien kwam een proces neer op: meneer, we weten dat u het gedaan hebt, wilt u rechtop gaan zitten en uw pet afzetten? De houding was: wat komt u hier eigenlijk nog doen, nu de officier zo’n dik dossier over u heeft aangelegd en de opsporing zich zo heeft ingespannen?

„Onze lichting strafrechtadvocaten heeft voor een kentering gezorgd; wij stelden het belang van de verdachte voorop. En met succes. We ontdekten de gronden voor niet-ontvankelijkheid en de vormfouten – die door het volstrekt arrogante OM aan de lopende band werden gemaakt. We wonnen voortdurend: gouden tijden die tot zeker midden jaren negentig hebben geduurd. Het strafrecht, voordien een lelijk eendje, werd glamourous. Toen ook is het woord ‘strafpleiter’ in zwang gekomen. Slaat nergens op, ik bepleit geen straf, maar vrijspraak.”

Praten met Jan Boone betekent vaak afwachten waar zijn associaties op uitlopen. („Ik ben een warrige denker”, zegt hij zelf. „Daarom kon ik het zo goed vinden met Theo van Gogh; met niemand kon ik zo goed een avond er op los associëren.”) Zo vraagt hij of het bezoek weet waar het slot van de klassieke film Casablanca zich afspeelt? „In een café, maar de meeste mensen herinneren zich een vliegveld in de mist en het is dan verdomde moeilijk hen ervan te overtuigen dat de film anders eindigt dan in hun hersenen vastligt. Zo is het ook met strafdossiers: we proberen de rechters een ander slot van de film te laten zien dan het scenario voorschrijft.”

Praten met Boone is ook pingpongen. Toenemende criminaliteit? Geen wonder, zegt hij, met die toenemende repressie. In 1850, 1940 en 1950 had je nog geen wetten tegen drugs, dus was bezit ervan geen misdrijf. Eh, toen had je toch ook nog geen drugs? „Oh nee? Waarmee werden mensen verdoofd dan? Met bakpoeder? De Drooglegging heeft in Amerika tot een enorme criminalisering van de samenleving geleid, zoals het verbod op drugs tot een enorme criminalisering van de Nederlandse samenleving heeft geleid.” Tja, als niets strafbaar is, houdt criminaliteit vanzelf op. „Zo is het”, klinkt het droogjes.

Maar aan het begin van het gesprek gaat het nog over de vermeende schoffering van het OM door de advocatuur. Nadat hij nog eens vastgesteld heeft ‘ziek’ te worden van ‘die campingmentaliteit’, zegt Boone: „Ik heb helemaal geen zin om met officieren in discussie te gaan. Die lui zijn hondsonbetrouwbaar, in die zin dat zij nooit vertellen wat ze doen. Wij advocaten moeten volkomen open werken, mogen geen getuige beïnvloeden en worden voortdurend bedreigd met tuchtmaatregelen of ontheffing uit onze functie – maar die officieren? Geen idee wat ze uitspoken. Op hun opsporingsmiddelen en -methoden heb je geen enkel zicht, ze laten ongestraft en ongezien ontlastend materiaal weg uit de dossiers, ze vertellen de waarheid niet en vervolgens worden ze ook nog eens doodgemoedereerd rechter. Ik zeg: een officier met een vlekje is een rechter met een vlekje. Dat moeten we niet willen. Het gevolg is dat rechters officieren die jokken zitten te sauveren. Eens een OM-er, altijd een OM-er.”

Advocaten moeten volgens Boone trouwens evenmin rechter worden, hij pleit ervoor dat iedereen ervoor kiest om óf rechter óf aanklager óf advocaat te worden. „Je moet mij geen rechter maken. Het zou me moeite kosten om objectief over zo’n jongen of meisje te oordelen. Ik zou altijd iets in hun voordeel bedenken. Met dat sop ben je overgoten. Maar omdat de veroordeling in het dossier zit, zou je nog beter mij dan een officier rechter kunnen maken.”

De veroordeling zit in het dossier?

Hij wijst naar een dik dossier op zijn bureau. „Als ik niet zorg dat boven water komt wat er echt gebeurd is, wordt iemand veroordeeld op basis van dit pak papier. Dáár zit de veroordeling in.”

Veroordeling? Het dossier is toch de aanklacht, de tenlastelegging?

„Nee. Als ik die man niet verdedig, wordt-ie veroordeeld. Klaar. Maar die man komt bij mij en zegt: ik heb het niet gedaan. Dan zeg ik: ok, u hebt het niet gedaan, aan hen het tegendeel te bewijzen.”

Dat noem je een rechtszaak.

Boone buigt voorover, alsof hij het bezoek een geheim gaat verklappen. „Het is misschien goed te weten dat ik standpunten verdedig. Ik vraag me dus niet af of iemand ’t gedaan heeft, dat interesseert me helemaal niets. Als de verdachte zegt: ik heb die man niet vermoord, dan heeft hij die man niet vermoord. Dat standpunt verdedig ik. Gaat de cliënt draaien, dan kom ik in problemen, dan zou ik me kunnen verspreken. Maar dat is gelukkig nooit gebeurd.”

Dus u hebt alleen maar onschuldige cliënten?

„Uitsluitend onschuldige cliënten. Dat is een bijzonder prettige manier van werken.”

Maar ook een frustrerende, want ze worden wel veroordeeld.

„Nou, dat valt nu juist zo verschrikkelijk mee!”

Niet dankzij u, u hebt gewoon onschuldige cliënten.

„Dat heb ik dan toch op z’n minst goed gezien.”

Dit is een boutade.

„Ik beweer niet dat al mijn cliënten onschuldig zijn. Ik zeg: als zij beweren onschuldig te zijn, wordt dat mijn uitgangspunt. Consequentie is dat al mijn cliënten onschuldig zijn. Desondanks maken ze in principe geen schijn van kans. Als advocaat krijg je bovendien te maken met een selectie van zaken waarvan het haalbaar geacht wordt dat ze tot een veroordeling leiden. Een enorm percentage wordt geseponeerd. De kans dat je vrijspraak krijgt, wordt daarmee kleiner. Als je dan ziet hoeveel vrijspraken ik haal per jaar, is dat ongelofelijk.”

Wat is uw succespercentage?

„Dat zeg ik liever niet.”

Aangezien u zich op de borst klopt, zult u wel moeten.

„Tien, twaalf procent, vrijspraak en niet-ontvankelijkheid.”

Is dat veel op honderd procent onschuldige cliënten?

„Ja, in negentig procent van de gevallen hadden ze geen gelijk, wat betreft hun onschuld. Wie veroordeeld wordt, is schuldig. Dit is geen boutade. Mensen vragen mij: hoe kunt u iemand verdedigen als u weet dat hij schuldig is? Stompzinniger vraag bestaat niet. Het is de morele vraag, van op de verjaardagen. Mij wordt het niet meer gevraagd, maar jongere advocaten gaan er nog een heel verhaal over houden. Zomin als de meeste andere mensen ken ik de waarheid, ik ben er niet bij geweest. Ik weet alleen: zoals iemand schuldig is, als hij veroordeeld wordt, zo is hij onschuldig ingeval van vrijspraak. Zo werkt het systeem.”

Mensen doelen op de O.J. Simpson-gevallen. ‘Evident’ schuldig, toch vrijgesproken.

„Ik denk ook dat hij het gedaan heeft, maar dat is niet relevant. De rechter heeft gezegd dat hij het niet gedaan heeft, dus is dat zo. Alle verdere overwegingen zijn haarkloverijen en privépraatjes. Als ik zeg dat Plooij niet deugt, praat ik als advocaat. Hij hindert mijn klanten, op oneigenlijke wijze, en dat moet hij niet doen, dan word ik nijdig. Temeer daar de rechter op zijn hand is. Ik mag nog zoveel vragen stellen over de selectie van het materiaal in het dossier, de rechter – een voormalig OM-er – zegt dat die onzin zijn. Rechters zijn het steeds meer hun taak gaan vinden te veroordelen in plaats van de waarheid te vinden.”

Zegt u nu dat rechters partijdig zijn?

„Ja, ze worden ingehuurd om te veroordelen.”

Ook om de waarheid te vinden.

„Dat moeten ze dan wel een beetje meer doen dan ze nu doen.”

Vroeger, zegt Boone, was de boer zijn paard kwijt als de kasteelheer zei: dat is van mij. Daarop organiseerde het volk zich zodat de kasteelheer niet meer ongestraft met zijn zwaard op de kop van de boer kon slaan als die zijn bek niet hield. Er kwamen regels, van strafrecht en strafvordering. Maar toepassing van die regels is voorbehouden aan de Staat: weer een heer boven je, die, als je niet uitkijkt, doet wat hij wil. En jawel, als blijkt dat de opsporingsmogelijkheden tekortschieten om iemand veroordeeld te krijgen, dan wordt de wet aangepast. Of ruimer geïnterpreteerd. Weer is het volk de klos, of het nu een heer is of een staat, veel verschil maakt het niet.

En dan: „Zo wil men al twintig jaar regelen dat telefoonnummers van advocaten niet meer afgeluisterd kunnen worden. Maar wat zegt meneer Fred Teeven van de VVD? Dat advocaten hun cliënten op hun niet-afgetapte lijnen hun zaakjes zullen laten regelen. Die man – een OM-er, niet vergeten – is altijd al kierewiet geweest, maar afgezien daarvan: niets is risicoloos.”

U draagt het hart op de tong. Is dat verstandig?

„Het wordt me almaar gezegd: Jan, doe eens wat kalmer. ‘Met stroop vang je meer vliegen dan met azijn’. Niks mee te maken.”

Wat was uw laatste ruzie met een rechter?

„Ik zei tegen een officier dat niet de waarheid vertellen liegen is en dat hij dat stond te doen. Daarop zei de voorzitter dat ik mij moest matigen: straks zou ik hem ook nog een leugenaar noemen. Waarop ik zei: ‘U hebt nog weinig gezegd.’ ‘Eruit! Eruit!’ riep hij en hij had gelijk. Toen ik met mijn boeltje bij de deur stond, vroeg hij of het me speet en toen heb ik mijn excuses aangeboden. Je moet wel respect blijven tonen.”

Wel respect, geen stroop.

„Tegen mijn klant zeg ik altijd: meneer, ik maak geen vrienden bij de rechter, dat zou uzelf trouwens ook niet lukken. Zegt u het maar: wilt u een zachte aanpak en een zo laag mogelijke straf? Of wilt u vrijspraak en/of niet-ontvankelijkheid? Kijk, voor de subsidiair bepleite kleine straf moeten ze naar een ander. Dan krijg je een huilende advocaat die met de rechter een goed gesprekje over zijn cliënt voert. Ik acht ze hoog, het heeft zin. Maar ik verdedig het standpunt, dat mijn cliënt het niet heeft gedaan. Daar past geen strafje bij, hoe klein ook. Dus bij mij geen subsidiaire pleidooitjes voor kleine strafjes. Rechters vinden dat vreemd, maar mijn cliënten waarderen het.”

Nu de strategie. Vanaf dag één dient de verdedigingslijn uitgezet te worden. En dan? „Herhalen en herhalen, tot de rechter zegt dat hij het nu wel weet, dan pas heb je het vaak genoeg gezegd. En je nooit iets aantrekken van de officier. Of van het publiek. Dat komt ‘breien bij de guillotine’, dat wil koppen zien rollen. De rechter, op hem moet je je concentreren.”

Goed. Had hij daarmee Holleeder vrijgesproken gekregen? Jan Boone kijkt naar buiten, knijpt de ogen dicht tegen het zonlicht en zegt: „Ik denk het wel.” Hoe? „Ik zou mij uitsluitend en vanaf dag één hebben geconcentreerd op die achterbankgesprekken, die als bewijs voor de afpersingspraktijken werden aangevoerd. Ik zou gezegd hebben dat die fake waren, opgesteld door het OM en onder hun regie voor de microfoon ingesproken. Ik zou wereldwijd jurisprudentie bij elkaar geschraapt hebben waaruit bleek dat dit niet als bewijs kan dienen. Dit zou ik aldoor herhaald hebben. De verdediging heeft dit wel geprobeerd maar is niet blijven hameren. Je moet er spijkerhard aan vast blijven houden.”

En Mohammed B.? Had die net als Volkert van der G. twintig jaar gekregen in plaats van levenslang?

„Ja, er is geen principieel verschil tussen de ene moord en de andere. Ik was bevriend met Theo van Gogh, maar als advocaat zie ik niet in dat zijn leven meer waard zou zijn dan dat van Pim Fortuyn. Ik zou daar vanaf dag één op gewezen hebben en eindeloos herhaald hebben dat het buitengewoon onrechtvaardig en stijlloos zou zijn en werkelijk geen pas zou geven om het ene leven een zwaarder gewicht te geven dan het andere, hoe geschokt de samenleving ook is. Ik zou ook steeds hardop gezegd hebben dat de rechter na de moord op Fortuyn natuurlijk onder druk staat zwaarder te straffen, maar dat hij daar uiteraard niet zijn oren naar kan laten hangen en zijn rug recht dient te houden.”

Nog één casus. Wat zegt hij ter verdediging van fotopersbureau AP, gedaagd door prins Willem-Alexander wegens het maken van foto’s van zijn skivakantie? „Nee, dat interesseert me niet.”

Interesseert u niet? Als iemand in de buurt komt van de kasteelheer met het zwaard...

Ok, dat is waar. Hij somt op: vanaf dag één betogen dat de prins zeurt. Dat gefotografeerd worden zijn vak is. Dat, als hij voor dit leven kiest in plaats van driehoog achter te wonen en nimmer te skiën, hij deze prijs heeft te betalen.

Het is nog niet alles. „Ik zou zeggen dat als hij zegt dat het slecht is voor zijn kinderen, hij een slechte vader is, die zijn kinderen dit aandoet omwille van zijn positie. In plaats van die kinderen in vrijheid te laten opgroeien zonder die positie. Ik zou dit net zo lang herhalen tot het hele land er precies zo over dacht.”