Wie debatteerden er deze week en waarover?

De identiteit van de hbo-professional. Hogeschool Utrecht. Ottone Utrecht woensdag 26 augustus.

Een hoopvol kennistrendje

Het viel mee, het debat over wat je in het hoger beroepsonderwijs moet leren om later een vak te kunnen uitoefenen. Nu ja, debat. De deelnemers waren het roerend eens. Dat heb je met modes in het onderwijs: ze worden collectief aangehangen. Het hele veld zwenkt mee als een school vissen. En die ging afgelopen jaren andere richtingen uit, zelfstandig leren, leren leren. Als de student het maar zelf mocht bepalen.

Maar het is hoopgevend als de mode nu eens ‘kennis’ is. Want daar lag het accent afgelopen woensdag. „De eerste twee jaar heel veel kennis, in het tweede paar jaar heel veel oefenen”, vatte Erik Puik, lector microsysteemtechnologie de stemming samen. De jonge chef video van het ANP had vroeger op school veel vrijheid gehad, maar vond dat ze toch ook meer had willen leren, zodat ze verder kon zoeken dan Wikipedia. De verpleegkundig specialist vond dat er meer op kwaliteit moest worden gelet, op klinisch redeneren. Ook de verbetering van onderwijskunde kwam aan bod.

Op het podium somden hbo-lectoren en afgestudeerde jonge vakmensen op wat er op de hogeschool van Utrecht nog meer kan worden bijgebracht. En dat hoefden de studenten nu eens niet zelf uit te zoeken. Ze waren ook nauwelijks aanwezig.

Het moest wel beroepsonderwijs blijven, vonden veel aanwezigen, geen universitaire ambities. „Het één is niet beter dan het ander”, werd opgemerkt. Hbo is er voor de praktijk. Lectoren, ook vaak beroepsmensen, moeten de inhoud van het vak ontwikkelen. Presentator Pieter Broertjes, hoofdredacteur van de Volkskrant, is zelf bijzonder lector op de Utrechtse hogeschool. Er was een alumnus die tegenstribbelde tegen de nieuwe tijdgeest van kennis. Een docent en praktijkcoördinator voor het middelbaar beroepsonderwijs. Iemand uit dat veranderlijke vak onderwijskunde. Die moet leraren aan het middelbaar beroepsonderwijs bijbrengen om goed les te geven. Hij hekelde de leraar die veel weet, maar het niet kan overbrengen. En dan gaat het mis in een klas van dertig leerlingen. Hij vond dat je „in de praktijk het meeste leert”. Uiteraard is in een beroepsopleiding oefenen in het echt, het in de vingers krijgen van de competentie om aantrekkelijk les te geven, belangrijk. Maar de lector beroepsonderwijs, Elly de Bruin, stelde daartegenover dat een docent die te weinig kennis heeft, ook gezag mist in de klas. Jongeren worden juist geprikkeld als de leraar kennis aanbiedt.

Wat een contrast met een fel debat dat ik een jaar of drie geleden bijwoonde aan de lerarenopleiding in Utrecht met een verhitte Marijke Breeuwsma van de kritische lerarenorganisatie Beter Onderwijs Nederland. Haar miste ik hier, want zij zou er met haar stevige opvattingen een discussie van hebben gemaakt. Er was daar toen ook een jonge alumnus bij, die leraar geschiedenis was geworden, en die klaagde dat haar te weinig kennis was bijgebracht. Maar de schoolleiding was nog helemaal in de ban van de filosofie van de student die allemaal zelf moest bepalen wat hij wilde weten.

Misschien is er nu een keerpunt bereikt. Hard leren past bij de economische malaise. Werkgevers liggen niet meer voor de deur om studenten al aan te nemen voor ze zijn afgestudeerd. Studenten moeten harder werken en omdat ze niet worden weggelokt voor een baan, hebben ze er ook de tijd voor. Maar het is wel duurder om met goede vakleraren kennis over te dragen dan om de studenten het zelf te laten uitzoeken. Komt dat geld beschikbaar?

Maarten Huygen