Veertig jaar op het internationaal toneel

De Libische leider Gaddafi is dinsdag veertig jaar aan de macht. Wie het aan de top zo lang uithoudt in het gewelddadige Midden-Oosten, is niet gek.

Het Amerikaanse blad Vanity Fair riep de Libische leider Moammar Gaddafi deze maand uit tot „meest ongegeneerd geklede man op het wereldtoneel” en bewees hulde aan het „kleding-genie”. Toen hij in 1969 als 27-jarig officier een staatsgreep tegen koning Idriss leidde, viel hij al op door zijn manier van kleden. Tegenwoordig kan hij met zijn kleurrijke gewaden en imponerende uniformen zo de operette in.

In de jaren tachtig verklaarden zijn tegenstanders hem openlijk krankzinnig. Een gek, zei de Egyptische president Sadat. „Niet alleen een barbaar, maar ook geschift”, zei de Amerikaanse president Reagan, „lid van de vreemdste collectie buitenbeentjes, dwazen en gore misdadigers sinds de komst van het Derde Rijk.”

Gaddafi is sinds het recente overlijden van de Gabonese president Bongo de langstzittende niet-erfelijke leider – in het algemeen klassement gaan alleen een paar koning(inn)en en sultans hem voor. Wie het uitgerekend in het gewelddadige en onberekenbare Midden-Oosten zo lang aan de top volhoudt, is niet gek. Sadat is in 1982 door moslimextremisten vermoord, Gaddafi viert dinsdag zijn 40-jarig jubileum.

De huidige ophef in het Westen over zijn warme ontvangst van de door Schotland vrijgelaten Lockerbie-gevangene Abdel Basset al-Megrahi weerhoudt de meeste westerse genodigden ervan dezer dagen naar Tripoli te reizen. Gaddafi heeft álle leiders van de wereld uitgenodigd voor zijn grote feest, maar het wordt voornamelijk een samenzijn van het tweede garnituur en internationale zwarte schapen als als de Venezolaanse leider Chávez en de Zimbabweaanse president Mugabe. Uit het Westen heeft alleen de Italiaanse premier Berlusconi zijn komst bevestigd – zij het uitdrukkelijk niet voor Gaddafi’s feest maar voor de eerste verjaardag van het normaliseringsverdrag tussen Libië en zijn vroegere koloniale meester Italië.

Dat is een grote teleurstelling, maar Libiës reusachtige en makkelijk te winnen olievoorraden, nog voor die van Nigeria de grootste van het Afrikaanse continent, garanderen dat de westerse bezoekers wel weer terugkomen.

Gaddafi is altijd een man geweest van grote ambities en grote gebaren. Hij greep de macht in wat toen niet meer dan een uitgestrekte zandbak was met anderhalf miljoen inwoners. Met de invloedrijke socialistische Arabische nationalist Nasser als voorbeeld zette hij zich eerst aan het werk om de Arabische wereld onder zijn leiderschap te verenigen en toen dat op Arabische onwil stuitte, de Afrikaanse. Hij profileerde zich als denker en kwam in zijn Derde Universele Theorie – na kapitalisme en communisme – met een soort islamitisch socialisme. Mao had zijn rode boekje, Gaddafi zijn groene. Libië werd een directe volksdemocratie, de Grote Socialistische Libisch-Arabische Staat van het Volk.

In het Westen maakten zijn pogingen aan massavernietigingswapens te komen en de openlijke steun voor terreurbewegingen meer indruk. Hij was opdrachtgever van Abu Nidal, Carlos de Jackhals en Ahmed Jibril, de (seculiere) Bin Ladens van de jaren zeventig en tachtig. De beruchte gijzeling van ministers van Oliezaken in het Weense hoofdkwartier van de OPEC in 1975 werd door Carlos in Gaddafi’s opdracht georganiseerd.

De bomaanslagen op het vliegtuig van PanAm boven Lockerbie in 1988 en die op een toestel van de Franse maatschappij UTA in 1989 waren de laatste grote terreurdaden die aan Gaddafi werden toegeschreven. Aanslagen leverden niet meer op dan sancties. Bezoek kreeg hij alleen nog van Afrikaanse leiders die hij financierde. Hij wilde verder komen.

Door – min of meer – verantwoordelijkheid voor ‘Lockerbie’ te erkennen en afstand te doen van zijn massavernietigingswapens in 2003 kocht Gaddafi toegang tot het Westen. De buitenlandse oliemaatschappijen stonden allang te trappelen om zonder restricties aan de slag te gaan met de Libische olierijkdom. Westerse leiders stroomden naar Tripoli om wapen- en andere handelscontracten te sluiten. Alleen Groot-Brittannië exporteerde vorig jaar al voor ruim een miljard euro naar Libië, en de nieuwe Amerikaanse ambassadeur pleitte eerder dit jaar voor uitbreiding van de militaire samenwerking. Gaddafi op zijn beurt sloeg her en der in de westerse wereld zijn tenten op. Vorige maand mocht de Libische leider nog aanschuiven bij de G8 in Italië en de Amerikaanse president Obama de hand schudden.

Thuis in Libië is niet veel veranderd. In de staat van het volk hoeven geen verkiezingen te worden gehouden. In de even rijke Golfstaten hebben alle inwoners een mobiele telefoon, in Libië 4 procent. Nog geen 3 procent heeft een internetaansluiting. Mensenrechtenorganisaties klagen steen en been over de onderdrukking van oppositie. In mei stierf in het Jordaanse ziekenhuis waarheen hij uit Libische gevangenschap was overgebracht, Libiës prominentste dissident, Fathi Jahmi. Hij noemde Gaddafi „een dictator die niet beter weet [..] en die de macht van het volk heeft gekaapt”.

De verslagen Amerikaanse presidentskandidaat McCain denkt daar anders over. Hij bracht tien dagen geleden met een Senaatsdelegatie nog een bezoek aan Libië om te praten over levering van defensiematerieel. Op de netwerksite Twitter schreef hij: „Late avond met kolonel Gaddafi in zijn ‘ranch’ in Libië – interessante ontmoeting met een interessante man.”

Modefoto’s Gaddafi in Vanity Fair via nrc.nl/buitenland