Te koop: doodskisten uit een stervend dorp

Doel, een dorp bij Antwerpen, verdwijnt. Dat lot is al oud. De haven van Antwerpen moet kunnen uitbreiden. Dit keer is het ernst. In de OLV kerk klinkt het Stabat Mater.

Inwoners van Doel, een dorp bij de haven van Antwerpen, schroeven waslijnen van de muur. Ze laden barkrukken, televisies en lampen in aanhangwagens. In de Onze Lieve Vrouwe Hemelvaartkerk wordt gerepeteerd voor het Stabat Mater van Pergolesi. In de oude parochiezaal staan beschilderde doodskisten. Het worden er achttien en over een tijdje kun je ze kopen bij een kunstverzamelaar: doodskisten uit een stervend dorp.

Doel ligt in het uiterste noordoosten van Vlaanderen, op de linkeroever van de Schelde, tussen een kerncentrale en een containerdok. Het dorp verdwijnt omdat de Vlaamse regering heeft beslist dat de Antwerpse haven uitgebreid moet kunnen worden.

Dit zijn de laatste dagen van Doel, waar nu nog 115 mensen wonen. Op 1 september loopt het ‘woonrecht’ af: inwoners die hun huis aan de Vlaamse overheid hebben verkocht en er nog tijdelijk in mochten wonen, moeten weg. Dat geldt ook voor mensen die de verlaten huizen kwamen huren. Er blijven elf gezinnen over: zij weigeren hun huis te verkopen.

„Wie achterblijft, vecht voor een hoop stenen”, zegt Marc Van de Vijver, burgemeester van de gemeente Beveren waar Doel bij hoort. „Als leefgemeenschap is Doel allang verdwenen.”

De kruidenier vertrok zes jaar geleden, de basisschool ging vier jaar geleden dicht, dokters zijn er al heel lang niet meer in Doel en de pastoor stierf in 2006.

In de jaren zestig werden voor de linkeroever van De Schelde „megalomane plannen” bedacht, zegt de burgemeester. De haven van Antwerpen zou fors worden uitgebreid. De rechteroever was al volgebouwd. Doel, aan de linkeroever toen een rustig polderdorp met zo’n duizend inwoners, moest verdwijnen. Er kwam een bouwstop. Maar in de jaren zeventig ging het economisch slecht, het was niet nodig om de haven groter te maken. De staatssecretaris voor Streekeconomie Mark Eyskens, later premier van België, kwam met een helikopter naar Doel. Hij noemde het dorp ‘heel waardevol’. Het zou blijven bestaan.

De burgemeester vindt dat politici niet „voor Jezus Christus” moeten spelen. Het duurde jaren voordat de inwoners van Doel in de blijde boodschap van Eyskens geloofden. Dat vertrouwen kwam pas in de jaren tachtig, zegt hij, toen de kerk werd gerenoveerd en er sociale woningen bij kwamen. Maar in de jaren negentig hoorden ze opnieuw dat hun dorp zou verdwijnen. Er kwam een nieuw containerdok, net naast Doel, en dat zou zoveel herrie veroorzaken dat Doel onbewoonbaar werd.

Daarna was er ook weer twijfel, het viel reuze mee met het lawaai. Inwoners van Doel die hun huis al aan de overheid hadden verkocht, kregen woonrecht: ze mochten gratis in hun huis blijven wonen. Eerst tot 2007, later tot 2009. Maar er werd ook een plan bedacht voor nóg een dok. Dan zou Doel onder het zand verdwijnen. „Er is jarenlang gejongleerd met deze mensen”, zegt de burgemeester. Ze kregen hoop en de hoop werd hun weer afgenomen. „Zo modderde het maar door.” En dat, zegt hij, moet nu afgelopen zijn. Daarom heeft de Vlaamse minister-president beslist dat het deze zomer gedaan is met Doel: het woonrecht stopt, ook al gaat het opnieuw economisch slecht en is het niet zeker dat de haven van Antwerpen een extra dok nodig zal hebben.

In Doel zijn nog drie cafés, in de jachthaven, op de dijk en in het dorp, en er is nog één winkel, een elektriciteitszaak. Charles Kempen (77) staat tussen opgestapelde dozen gloeilampen, radio’s, elektrische tandenborstels, koffiezetapparaten. Er zijn ook acht katten in de winkel. Kempen heeft de elektriciteitszaak al bijna vijftig jaar, als ‘bijverdienste’. Hij was beroepsmilitair, zijn vrouw deed de zaak. De winkel is hun eigendom en ze zijn niet van plan om weg te gaan. Al worden ze volgens Charles Kempen door de overheid weggepest. Hij kreeg een boete, zegt hij, toen hij zijn auto waste op straat. De auto was niet gekeurd. Hij had zijn andere wagen een keer te ver van het trottoir af geparkeerd, ook een boete.

Daar is een woord voor, zegt Kempen. Nultolerantie. Een idee van burgemeester Van de Vijver, van een paar jaar geleden. Groepen krakers, junks en zigeuners waren in Doel komen wonen. Bij de verlaten huizen werden ramen kapotgeslagen, trappen en open haarden werden eruit gesloopt. Er werd drinkwater en elektriciteit afgetapt. Van de Vijver besloot om de politie hard te laten optreden tegen elke overtreding. Krakers kregen een huurcontract, de meeste zigeuners en junks gingen weg.

De inwoners van Doel waren er blij mee. Maar de nultolerantie, zeggen ze, wordt ook gebruikt om de Doelenaren zelf weg te krijgen.

De burgemeester weet hoe de overgebleven inwoners van Doel over hem denken. Vóór de zomer, toen hij campagne voerde voor een zetel namens de christen-democraten in het Vlaamse parlement, werden zijn verkiezingsaffiches beklad: ‘dorpsmoordenaar’, stond er. Actievoerders verstoorden de opening van het nieuwe winkelcentrum in Beveren, begin dit jaar, waar de Vlaamse minister-president Kris Peeters bij was. Van de Vijver wordt ook bedreigd.

Hij krijgt de schuld, zegt hij, van een beslissing die door de Vlaamse regering is genomen. Hij voert de beslissing ook niet zelf uit. Daar heeft de Vlaamse overheid een aparte organisatie voor, de Maatschappij Linkerscheldeoever. Maar als er een huis op instorten staat, geeft de burgemeester de opdracht om het af te breken, en daar zijn ze dan kwaad over in Doel.

Frank De Vos, dorpsdichter van Doel, staat op donderdagavond bij de kerk in Doel, net voordat het Stabat Mater begint. Zei de burgemeester dat er een eind moest komen aan de onzekerheid van de Doelenaars? De Vos briest bijna van woede. „Nemo turpitudinem suam allegans auditur. Je beroept je op de puinhoop die je zelf hebt veroorzaakt om Doel van de kaart te kunnen vegen.” De Vos, met omgekrulde snor en klein baardje, noemt zich ‘artivist’, hij voelt zich als kunstenaar betrokken bij het bedreigde dorp. Hij woont zelf in Antwerpen. Ook de meeste Doelenaars die nog zijn overgebleven en die zich hebben verenigd in de actiegroep Doel2020, komen er oorspronkelijk niet vandaan. Bij de Maatschappij Linkerscheldeoever, die de beslissing om Doel te laten verdwijnen uitvoert, hebben ze er cijfers over: van de inwoners uit 1998, toen opnieuw werd beslist dat het dorp weg moet, is 92 procent verhuisd. En ze zeggen: de meesten die er nog zijn, willen goedkoop blijven wonen. Ze maken kunstwerken in het dorp en hebben het gevoel dat ze in een vrijstaat wonen. Om Doel zelf gaat het hun niet.

Bij de Vlaamse overheid wijzen ze ook op de militante achtergrond van actievoerders. Er werden in Doel kranen en containers in brand gestoken, er zouden asbestplaten zijn vernield, de hekken die de gemeente om bouwvallen had neergezet werden weggehaald, in de hoop, denken bestuurders, dat er ongelukken gebeuren waar de overheid dan weer verantwoordelijk voor is.

In juni won de actiegroep een rechtszaak: er mogen voorlopig geen huizen worden afgebroken omdat Doel officieel woongebied is, het bestemmingsplan is nog niet veranderd. Pas als dat is gebeurd, kunnen de laatste elf huizen worden onteigend.

Actievoerders van Doel2020 hebben het steeds over het ‘complot’ om Doel te laten verdwijnen, „misschien wel” om er afval uit de kerncentrale te kunnen opslaan. Ze vertellen over de ‘verkrottingsstrategie’: toen het nog mocht werden eerst de mooiste huizen afgebroken, waardoor het dorp er verwaarloosd uit ging zien.

Frie Lauwers van Doel2020 zegt dat zij in het dorp blijft. „In mijn contract staat dat ik er mag wonen totdat is bewezen dat Doel moet verdwijnen voor het algemeen nut.” En met de haven van Antwerpen wordt het voorlopig niks, denkt ze. Zeker niet nu Nederland de uitdieping van de Westerschelde heeft uitgesteld. Grote schepen kunnen de haven van Antwerpen niet bereiken. „Ik vind dat leuk, omdat ik een boos mens ben.”

Doel2020 sticht geen brand, zegt de actiegroep. Doel2020 protesteert met gedichten, kunstwerken en soms met fluitjes en boegeroep, zoals bij de opening van het winkelcentrum. „Burgemeester Van de Vijver minacht ons”, zegt Frie Lauwers. „Hij zegt dat wij niet van hier zijn. Als dat een argument is, moet je ook Borgerhout (bij Antwerpen, red.) afbreken. Daar wonen bijna alleen Marokkanen.”

Frie Lauwers organiseerde het Stabat Mater van afgelopen donderdag. Drie jaar geleden regelde ze de uitvoering van het Requiem van Mozart, omdat het toen ook al afgelopen zou zijn met Doel. Het jaar daarna was er weer hoop en werd het Die Schöpfung van Haydn. Nu is Stabat Mater het laatste concert in Doel.

Net voordat het begint, zit Colette Hermans (81) op een bankje bij de kerk. Ze is de eigenares van het zeventiende-eeuwse Hooghuis in Doel, waarvan wordt gezegd dat de schoonvader van Rubens er woonde. Een paar straten verder zitten ex-krakers buiten op leren banken bier te drinken. Colette Hermans vertelt hoe de dorpelingen vroeger hun stoelen op de stoep zetten. „Dan werd er tot ’s avonds laat gebabbeld.”

Er waren hele straten die samen barbecues organiseerden. Doel, zeggen vroegere inwoners, was één grote achtertuin. De kinderen speelden overal. Maar de afgelopen tien jaar viel het dorp als gemeenschap uit elkaar. Eerst deed iedereen mee aan de protesten. Maar al gauw waren er mensen die de vertrekpremies accepteerden. Daar werden de achterblijvers boos om. Maar de mensen die waren weggegaan, werden kwaad omdat hun huizen opnieuw werden bewoond en omdat Doelenaars die niet weggingen gratis in hun huis konden wonen.

Het is ook voor die mensen, zegt voorzitter Peter Deckers van de Maatschappij Linkerscheldeoever, dat het woonrecht nu wordt beëindigd. „Doelenaars die weg zijn, hebben me al tientallen keren gevraagd: ‘Wanneer breek je mijn huis af? Ik wil geen krakers.’ Het is een dorp in verval. Ik zou er het liefst zo snel mogelijk komaf mee maken.”

Deckers is een vriendelijke, voorzichtige man. Hij hoopt op een ‘sereen debat’ met de achterblijvers. Ze worden niet meteen uit hun huis gezet, zegt hij. Wie het nodig heeft, krijgt extra tijd om onderdak te zoeken. Maar als het echt moet, komt de politie. „Er is geen goede woonsituatie meer. Denk aan de bevoorrading en de nutsvoorzieningen.”

Charles Kempen van de elektriciteitswinkel ziet op tegen de winter, als hij met zijn vrouw en tien andere gezinnen zal zijn achtergebleven. Hoe moet hij de deur uit als het ijzelt? Zal er nog een bus rijden? „Ik vind het eng.” Waarom blijft hij dan toch? „Ik zou niet weten waar ik heen moet gaan.”