PvdA en CDA worstelen met eigen topverdieners

PvdA en CDA onderscheiden zich nauwelijks van de oppositie in kritiek op de salarissen van bestuurders in de (semi)publieke sector. Toch zijn de bestuurders die meer dan de Balkenendenorm verdienen dikwijls van PvdA- of CDA-huize.

Hij kon het wel begrijpen, die roep om het royement van zijn partijgenoot. Wouter Bos, de partijleider van de PvdA, was vorig jaar keihard in zijn oordeel over Eveline Herfkens. De voormalige PvdA-minister van Ontwikkelingssamenwerking had in haar functie bij de Verenigde Naties een huurvergoeding van 280.000 dollar van het ministerie van Buitenlandse Zaken geaccepteerd, tegen de regels in. Volgens Bos had zij daarmee niet alleen haar naam, het ministerie en de VN beschadigd, maar ook de PvdA.

Inmiddels wordt er binnen de PvdA ook gediscussieerd over het weren van leden die wel binnen de regels blijven, maar in de ogen van de partijtop te veel inkomsten hebben. Wie meer wil verdienen dan de Balkenendenorm, moet de partij maar verlaten. Voor hen is geen plaats bij de sociaal-democraten (zie inzet). De tolerantie binnen het CDA voor zulke inkomens neemt ook zienderogen af.

NRC Handelsblad heeft een aantal CDA’ers en PvdA’ers onder de loep genomen die bij de (semi)overheid meer verdienen dan de Balkenendenorm of die met beloningsconstructies rond de norm uitkomen. Wat vinden zij van de Balkenendenorm en de discussie binnen hun partijen over een nog sterkere normering van salarissen? Zijn er partijleden die hun lidmaatschap opzeggen?

Van Nout Wellink, president van De Nederlandsche Bank, is bekend wat hij ervan vindt. De bankier van CDA-huize, een diep slapend lid volgens ingewijden, noemde de Balkenendenorm eerder „idioot” omdat de functie van minister-president de enige is waar geen markt voor bestaat. „De premier kan een voortreffelijke vent zijn, of een kneus. Het salaris van die persoon is door toevalligheden bepaald”, zei hij in een interview met het Brabants Dagblad.

Minister Plasterk (Onderwijs, PvdA) betoogde in 2007 bij de opening van het academisch jaar dat de salarisnorm juist in het onderwijs heilig hoort te zijn „Als we in het hart van het publieke domein, bijvoorbeeld bij de universiteiten, hiermee een loopje zouden nemen (...) dan worden we volstrekt ongeloofwaardig als we leraren of verpleegsters vragen het rustig aan te doen met hun looneisen.”

Maar partijgenoot Jo Ritzen (zie tabel) zit als collegevoorzitter van de Universiteit Maastricht al jaren ruim boven de norm. De Vrije Universiteit en de universiteiten van Twente, Delft en Utrecht worden alle geleid door bestuurders van CDA-huize die (omgerekend) boven de norm uitkomen. Anne Flierman (Twente) vindt de discussie over beloningen niet relevant. „Het is geen politieke functie en het lidmaatschap van welke partij dan ook is irrelevant bij mijn benoeming.” 

Ook Louise Gunning-Schepers (PvdA), bestuursvoorzitter van het AMC, meent dat je een onderscheid moet maken tussen partijpolitieke functies en een benoeming in de raad van bestuur van een groot ziekenhuis. „Het is geen pre of contra bij deze functie dat ik lid ben van een politieke partij. Een erecode zou daarom betrekking moeten hebben op functies, waarbij de partij de benoemende instantie is. Het zou raar zijn als het lidmaatschap van een politieke partij op dit soort dingen zou hangen.”

Flierman, senator voor het CDA, vindt het partijlidmaatschap wel van belang bij benoemingen van burgemeesters of commissarissen van de koningin. Dat zou betekenen dat de christen-democraat het wel gepast vindt als provinciebestuurders, leden van de SER of Hoge Colleges van Staat en de topambtenaren van ministeries worden aangesproken. De politieke achtergrond speelt bij deze benoemingen vaak een rol, zoals recentelijk bij de benoeming van Wim van de Donk (CDA) tot commissaris van de koningin in Noord-Brabant. Hij volgt daar CDA’er Hanja Maij-Weggen op, een provinciebestuurder die boven de Balkenendenorm uitkomt.

Volgens Anton Zijderveld, CDA-denker die onlangs zijn lidmaatschap opzegde, is het besef van het dienen van de publieke zaak verdwenen. „Je moet niet vergelijken met banen in het bedrijfsleven. Dat is absurd. Wat doe je dan bij de (semi)overheid? Je dient de publieke zaak!” Maar de emeritus hoogleraar vindt het een zwaktebod als je om een te hoog inkomen de partij wordt uitgezet. „Oké, en dan? Het moeilijke is om zo’n Balkenendenorm te handhaven. Dat is eigenlijk niet te doen. Het gaat hier om een morele aangelegenheid.”

Neem Marleen Barth, oud-Kamerlid voor de PvdA en nu voorzitter van GGZ Nederland, brancheorganisatie voor de geestelijke gezondheids- en verslavingszorg. Zij laat zich voor 840 euro per dag inhuren (ex BTW) via haar eigen bedrijf, en heeft een contract voor honderd dagen per jaar.

Volgens Barth is ze niet in dienst omdat beide partijen dat zo wilden. Zij weerspreekt dat haar baan in de (semi)publieke sector valt of dat zij meer verdient dan de Balkenendenorm. „Mijn inkomen is privé. Ik ben niet rijk, ik ben geen graaier. Ik heb niets met die Balkenendenorm te maken, want ik werk bij een privévereniging.”

Han Noten, PvdA-fractievoorzitter in de Eerste Kamer, laat zich ook inhuren als voorzitter van ActiZ, een branchevereniging in de zorg. Met 83.159 euro voor 2 dagen zit hij volgens zijn accountant onder de Balkenendenorm, omdat er gecorrigeerd moet worden voor allerlei kosten. Maar gaat het in zulke gevallen om de letter of de geest van de Balkenendenorm?

Partij-ideoloog Jos de Beus is kritisch over de opstelling van sommige PvdA’ers. „Socialisten zijn mensen met gewetensbezwaren over geld dat andere mensen verdienen”, citeert hij W.F. Hermans. „Corruptie in de vorm van bestuurders die zichzelf verrijken verklaart een deel van de malaise van de PvdA”, zegt De Beus. „Een prototypische PvdA-bestuurder is tegenwoordig hufterig tegen ondergeschikten (zoals de chauffeur) en patserig naar het grote publiek toe. Zodra PvdA’ers de kans krijgen, zijn ze plots socialist af en verrijken ze zichzelf. Dat beeld is funest voor de partij.”

Maar de PvdA-bestuurders die meer verdienen dan de norm, zijn niet van plan hun partijlidmaatschap zomaar op te geven. „Als ik na ruim 30 jaar mijn partijlidmaatschap opzeg, dan heb ik heel wat betere redenen dan mijn salaris”, aldus Dirk Jan Verbeek, bestuursvoorzitter van het Groene Hart Ziekenhuis. „Het zou wat zijn zeg, als de PvdA een bovengrens gaat stellen aan het inkomen van zijn leden. ”

Ook Hans Simons, voormalig staatssecretaris Volksgezondheid van de PvdA, die eerder dit jaar vertrok bij de Oosterschelde Ziekenhuizen, zal zijn partijlidmaatschap niet opgeven. „Ik hoor het wel als ik afscheid moet nemen, maar dat lijkt me onzinnig. Er is geen enkele reden om de Balkenendenorm politiek te vertalen. Het is wel een goede discussie over wat redelijk is, maar daarbij is de rechtspositie na vertrek ook relevant: ik maak principieel geen gebruik van de wachtgeldregeling, maar anderen doen dat wel.”

Gaat Marjanne Sint, oud-voorzitter van de PvdA, haar partij wél verlaten wegens een te hoog inkomen? De uitspraken van Sharon Dijksma (evaluatiecommissie PvdA-verkiezingsnederlaag) en partijvoorzitter Lilianne Ploumen (zie inzet) beschouwt Sint in een eerste reactie als „persoonlijke meningen”. Maar een paar uur later belt haar woordvoerder terug om te zeggen dat inmiddels gesproken kan worden van een „partijbrede discussie” waar Sint verder niet op wil reageren.

Jos de Beus is duidelijk: „Wie in de publieke sector meer wil verdienen dan een minister moet zijn partijlidmaatschap maar opzeggen. De PvdA kan zich dit imago niet veroorloven.”