Museum Jan Cunen wil talent een kans geven

Op bezoek bij kleine musea in Nederland. Dit keer Museum Jan Cunen in Oss. Deel 5 in een serie.

Museum Jan Cunen in Oss is gratis toegankelijk en wordt volledig gefinancierd door de gemeente en de provincie Noord-Brabant. „Gratis toegang is een vorm van beschaving”, aldus René Pingen, sinds 2006 directeur van het museum. „De gemeenteraad vond dat er geen financieel beletsel moest zijn als het gaat om cultuurparticipatie en educatie. Daar valt nog steeds weinig op af te dingen, qua laagdrempeligheid, al is alles en iedereen in de museumwereld inmiddels verzakelijkt. Wat dat betreft laten we graag vanuit het linkse Oss een tegengeluid horen.”

Museum Jan Cunen, dat in 1935 zijn deuren opende, was aanvankelijk gericht op streekgeschiedenis, het beschikte over een collectie streekhistorische objecten, waaronder archeologie, verzameld door stadsarchivaris Jan Cunen, naar wie het museum is vernoemd. In de jaren vijftig verschoof de aandacht geleidelijk naar Nederlandse schilderkunst uit de negentiende eeuw. Sinds de jaren negentig ligt de nadruk steeds sterker op hedendaagse kunst en wordt de verzameling streekgeschiedenis nog slechts mondjesmaat getoond.

Het museum is gevestigd in een vrijstaande villa die in 1888 is gebouwd voor de margarinefabrikant Arnold van den Bergh, die het pand al in 1891 doorverkocht aan zijn grote concurrent Anton Jurgens. De villa fungeert tevens als trouwlocatie en de brede bordestrap en de overdekte entree zijn exclusief gereserveerd voor de bruidsparen en hun gasten. Bij het waterspuwende mannetje voor de museumtrap, een beeld van Jeroen Melkert, worden vaak de fotoshoots gehouden. De museumbezoekers komen binnen via de dienstingang.

Binnen is een centrale hal met de voormalige woonvertrekken eromheen. Een enorme houten trap leidt naar een omloop waarop de vroegere slaapvertrekken van de familie Van den Bergh uitkomen. De villa is ontworpen door architect H.R. Hendriks in eclectische 19de eeuwse bouwstijl.

Jaarlijks worden naast kleinere presentaties vier grote wisseltentoonstellingen georganiseerd. Pingen: „Een eigenzinnige kunstenaarskeuze staat bij die tentoonstellingen voorop. We geven jonge kunstenaars zoals Iris Kensmil, Viviane Sassen, Graham Hudson of Elspeth Diederix voor het eerst de gelegenheid om hun werk in een museale context en aan een groter publiek te tonen.”

De directeur rekent het ook tot de taak van het museum om samenwerkingsverbanden te stimuleren. „Onze rol als ‘talentscout’ krijgt meer reliëf door combinaties te zoeken van bijvoorbeeld jonge en al langer werkende kunstenaars, bijvoorbeeld Roland Sohier, Robbie Cornelissen en Karin van Dam. Om diezelfde reden combineren we soms ook oude en nieuwe kunst met elkaar. Het gaat om combinaties die elkaar thematisch gezien versterken.”

Geregeld geeft Museum Jan Cunen opdrachten aan kunstenaars om nieuw werk te genereren. „We onderzoeken manieren van presenteren die de beleving van het werk kunnen versterken, een werkwijze die spannende en experimentele tentoonstellingen oplevert.” Volgens Pingen wordt dit feit ook door de regionale en de landelijke pers erkend, gezien de lovende recensies in 2008 voor tentoonstellingen van Sjaak Langenberg, Graham Hudson, Iris Kensmil en Ronald Ophuis.

De museumdirecteur twijfelt over het mooiste stuk uit de collectie, want het mooiste stuk is altijd de meest recente aanwinst. „Misschien de nieuwe installatie van Fransje Killaars, die in onze ‘trouwzaal’ kledingstukken heeft geplaatst en de wanden heeft bekleed met verschillende stoffen, of een foto van Elspeth Diederix met de titel Cloud: een wolk van plastic zakken zwevend in de lucht. Een andere kanshebber is het werk dat Graham Hudson in opdracht van het museum heeft gemaakt, een rauw beeld van pallets en ladders met licht en overslaande platenspelers. „Bovendien heeft dat beeld wel de mooiste titel van allemaal: Journey to the centre of the self (amateur hardcore).

„We zijn erg tevreden over de bezoekersaantallen. Ondanks dat we klein zijn, geen ‘gemakkelijke’ programmering hebben en in Oss zitten, komen er toch nog ruim 30.000 mensen per jaar. Maar een tentoonstelling van Taryn Simon bij ons in 2005 kreeg minder aandacht van pers en publiek dan Taryn Simon in FOAM in 2008. Dat is geen klacht, maar een nuchtere constatering over de positie van een museum buiten de randstad.”

Pingen vertelt een haat-liefdeverhouding te hebben met de huidige behuizing. „De vertrekken zijn redelijk intiem en je kunt de kunst heel dicht benaderen. Aan de andere kant levert het gebouw grote beperkingen op, ook omdat het een Rijksmonument is.”

Er zijn plannen voor eventuele nieuwbouw. „De realisering daarvan is inderdaad een grote wens. Een nieuw gebouw beschouw ik echter in de eerste plaats als een middel om activiteiten beter te kunnen ontplooien en niet als een doel op zichzelf.”