Minister van Hollen & Stilstaan

Tot deze zomer was hij de populairste minister van het kabinet, gedoodverfd opvolger van Wouter Bos als PvdA-leider. Maar de ster van politicus Ronald Plasterk is niet langer rijzende. Geen vergezichten, amper daadkracht.

Op dinsdagmiddag 13 februari 2007 ging de telefoon bij de president van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen. De directeur van het Hubrecht Instituut aan de lijn. Frits, zei Ronald Plasterk tegen president Van Oostrom: „Ik moet je wat vertellen. Ik word minister van Onderwijs.”

Frits van Oostrom, hoogleraar Nederlandse letterkunde, feliciteerde zijn collega. Ze zijn wetenschappers met „een geschiedenis samen”. Allebei waren ze pioniers van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek, allebei wonnen ze de Spinozapremie (Van Oostrom: „Ik lekker eerder dan hij”) en allebei eisen ze van hun promovendi „alleen het beste”.

Plasterk vertelde dat hij hoger onderwijs, cultuur, emancipatie en media zou gaan doen.

Toen viel er een stilte.

„Waarom zeg je niks?”

„Waarom doe je niet meer onderwijs?”

Daar is geen tijd voor, antwoordde Plasterk. „Want ik zit ook in de sociaal-economische zeshoek.”

Dat is de club ministers die over het geld beslist. Hij was daarin de enige sociaal-democraat naast partijleider Wouter Bos. En die heeft als schatkistbewaarder nauwelijks politieke ruimte tegenover drie christen-democraten en één minister van de ChristenUnie.

Nu, halverwege Plasterks ambtstermijn, is Frits van Oostrom nog steeds zuinigjes: „Ik vind dat Ronald fanatieker op de zeepkist van het onderwijs moet staan. Zet die hoed af en ga met de pet rond. Het onderwijs heeft je nodig.”

Inertie, luidt de kern van de kritiek in het hoger onderwijs. Maar niet alleen daar overheerst teleurstelling over de briljante wetenschapper die als minister nieuw elan moest geven aan het onderwijs-, cultuur- en mediabeleid, en aan het debat over de koers van zijn partij, de PvdA. Uit gesprekken met dertig bekenden van de minister blijkt dat hij die verwachtingen nog niet waarmaakt.

Als politicus overtuigt Ronald Plasterk nog niet. „Slaat bij het hoger onderwijs tot nu toe geen deuk in een pak boter” (Doekle Terpstra, voorzitter van de HBO-Raad), „gaat kopje-onder in een kabinet vol mannenbroeders” (Wouter Neerings, voorzitter homovereniging COC), „geen enkele lijn in zijn beleid” (voormalig directeur-generaal cultuur Jan Riezenkamp). Zelfs de eigen PvdA mort over haar tweede man in het kabinet. „Geblunder”, noemen ze in de Tweede Kamerfractie zijn optreden rond de vestigingsplaats van het Nationaal Historisch Museum. „Flinterdun”, noemen ze zijn analyse van de verkiezingsnederlaag bij de Europese verkiezingen. Dat de kersverse minister van Wijken Eberhard van der Laan hem in de peilingen inmiddels is gepasseerd als populairste minister, wordt door zijn partijgenoten met enig leedvermaak geconstateerd.

Al die kritiek rechtvaardigt de vraag: geldt Ronald Plasterk nog steeds als opvolger van Wouter Bos?

Als minister wordt Plasterk stilstand verweten. Nog geen vergezichten, amper daadkracht. Zowel in het media- als het hoger-onderwijsbeleid, tot teleurstelling van zijn oud-collega’s, die van de onderzoeker een wervende kennisagenda hadden verwacht die Nederland internationaal weer op de kaart zet. Bij de publieke omroep propageert Plasterk zelfs actief de status quo. Terwijl kijkers van het tv-programma Buitenhof erop rekenden dat hun scherpe columnist het verzuilde omroepbestel zou opschudden, bestaat er nu nauwelijks verschil in de opvattingen van politicus Plasterk en die van de VARA, de belangrijkste belanghebbende uit de eigen sociaal-democratische zuil.

Het onderwijs wil Plasterk vrijwaren van grote hervormingen, in de geest van de commissie-Dijsselbloem. Hij zet in op de positie van leraren. In versterking van hun gezag en kwaliteit ziet hij de sleutel tot beter onderwijs. Hij regelde een miljard euro voor hogere salarissen. En als Plasterk het onderwijs ook nog een tikje strenger weet te maken, met meer rekenen en taal en minder vrijblijvende vorming – zoals hij bepleitte in deze krant – dan is dat „geen geringe prestatie”, oordeelt Henk Pijlman, collegevoorzitter van de Hanzehogeschool Groningen. „Hoe armzalig zijn agenda in het hoger onderwijs verder ook is”.

Ronald, zegt goede vriend Jan van Coeverden, wil altijd winnen. Robbert Dijkgraaf, president van de KNAW: „Je ziet dat bij Ronald de overstap naar de politiek totaal is. Hij wás wetenschapper, hij ís nu politicus.” In beide, zo bevestigen al zijn kennissen, wil hij het hoogste bereiken.

Dat hoogste is in de ogen van Plasterk in elk geval niet op het ministerie de rode loper uitrollen voor de belangenclubs, zoals CDA-voorganger Maria van der Hoeven deed. Zijn taakopvatting is voornamer. In de Trêveszaal bestuurt Ronald Plasterk het land. In de woorden van Sybolt Noorda, voorzitter van universiteitenvereniging VSNU: „Plasterk is een collegiale minister in een kabinet dat vooralsnog niets doet aan het hard achteruitkachelende hoger onderwijs.”

De contouren van zijn strategie zijn inmiddels duidelijk. Plasterk heeft gekozen voor strikte loyaliteit aan partijleider en vicepremier Bos, bevestigt ook goede vriend Jan van Coeverden. Bos is de man die hem zijn politieke loopbaan gunde. Tegelijk hoeven zijn directe concurrenten, de andere bewindspersonen van de PvdA, niet te rekenen op zomaar een gunst.

Collega-minister Van der Laan bijvoorbeeld betaalt graag mee aan een verhuizing van de Amsterdamse Rietveld Academie naar Bos en Lommer, een van zijn moeilijke wijken. Maar Van der Laan kon de vlag nog niet uitsteken, omdat cultuur- en onderwijsminister Plasterk aarzelde om met de rest van het geld over de brug te komen. Desgevraagd ontkent Plasterk dat hij het succes van een collega wil dwarsbomen, en zegt nu samen met Van der Laan 2 ton voor het project te reserveren. Succesvolle optredens van Frans Timmermans, de PvdA-staatssecretaris die medeverantwoordelijk is voor het internationaal cultuurbeleid, zitten Plasterk niet lekker, zo zeggen belangenbehartigers uit de cultuurwereld. Ze vertellen over kansloze pogingen om via Plasterk iets gedaan te krijgen bij Timmermans. Ze zagen graag een paviljoen dat in New York de vierhonderdjarige relatie met Amsterdam verbeeldt, naar Nederland verhuizen. Plasterks commentaar: „Dat regel je zelf maar.”

Plasterk, benadrukken zijn fans, zet vooral in op het politieke spel in de zeshoek en de ministerraad. In dit eminente gezelschap wil hij een gezaghebbende positie verwerven. Met slimme, originele opmerkingen. Om goed beslagen ten ijs te komen in de zeshoek, onderhoudt hij zijn contacten bij de vakbond. Tegelijk gaat hij graag in op de intellectuele uitdagingen waar een minister als Hirsch Ballin (Justitie, CDA) zijn collega’s voor plaatst. Als hij de ervaren en onafhankelijk opererende Donner (Sociale Zaken, CDA) van leer hoort trekken, zegt een vertrouweling van Plasterk, dan is hij daar een beetje jaloers op. Dat wil hij ook.

Maar zijn ambtenaren hebben daar niks aan. Dat levert geen extra geld op, zegt voormalig directeur-generaal cultuur Jan Riezenkamp. „Besturen moet je vergelijken met een fruitmachine. Er moeten drie aardbeien op een rijtje staan. Ik zag het ook bij Ritzen. Dit soort cognitief sterke ministers concentreert zich op één aardbei, zonder te zien waar de andere twee vallen.”

Het is een verwijt dat de ambtenaren van nu beamen. The proof of the pudding , zeggen ze, wordt de komende Miljoenennota. Als Plasterk er niets voor zijn departement uitsleept, zal de animo om voor hem te draven verder afnemen. Want Ronald Plasterk is een „atypische minister”. Hij is „geen dossiervreter”, maar „neemt snel beslissingen”. Hij is briljant en betrokken, maar ook eigenwijs. En hij accepteert geen middelmaat. Als je niet mee kunt praten op zijn niveau, vertelt een ambtenaar, tel je niet meer mee. Hetzelfde overkomt ambtenaren die speeches volproppen met jargon en Engelse kreten. „Dan gaat hij neerbuigend doen.” En dat is behoorlijk intimiderend, weet hij. Het gevolg is dat „een legertje collega’s is dichtgeklapt en zich terugtrekt in zijn schulp”.

Als wetenschapper had Plasterk die reputatie al. „Hij had een oog voor talent, maar als hij mensen niet aan de maat vindt”, zegt emeritus hoogleraar microbiologie Wiel Hoekstra, Plasterks oud-collega aan de Universiteit van Utrecht, „dan is hij keihard”. Het is een reden waarom het Nederlands Kanker Instituut in 1999 niet hem, maar Ton Berns aanstelde als wetenschappelijk directeur. Dat was een kleine tegenslag in een op het oog vlekkeloze carrière als wetenschapper. Korte tijd later werd Plasterk alsnog directeur, van het Hubrecht Laboratorium.

Plasterk de populist

Leuk vindt Ronald Plasterk het politieke ambt in ieder geval. In de Tweede Kamer kreeg hij het stempel „minister van Feest”, om de hoeveelheid culturele evenementen die hij bijwoont – van de koperblazerskampioenschappen tot het draaksteken in Beesel – en om het zichtbare plezier dat hij eraan beleeft.

Meestal komt hij met zijn vrouw Els, blond en stralend. Tijdens de Gay Pride, begin augustus, staat niet de minister, maar zij midden op het achterplecht van de OCW-boot. Heupwiegend. En als uitkijkpost, terwijl haar eega zich hartstochtelijk laat toejuichen door een half miljoen bezoekers. Ze moet hem een paar keer behoeden voor een klap met zijn hoofd tegen een brug. Telkens vindt Plasterk weer iemand in het publiek voor wie hij zijn hoed wil afnemen. Of die hij de voering van zijn jasje wil laten zien, speciaal voor de gelegenheid uitgevoerd in de kleuren van de regenboog.

Na twee uur zwaaien wuift zij de suggestie van de hand dat het juichen goed is voor het ego van haar man. „Daar gaat het absoluut niet om.” Het gaat om dienstbaarheid. En de gedachte dat je minister bent bij gratie van de waardering van kiezers. Ook de term ‘minister van Feest’ vindt zij onheus, net als zijn fans op het ministerie. „Ik heb nog nooit een minister meegemaakt die zo hard werkt”, zegt zijn woordvoerder Hans van den Broek.

Het blijkt iedere keer weer: Plasterk kan ontwapenen en charmeren. Hij is hartelijk en geïnteresseerd, ook tegen een toevallige passant op straat. Zelfs de aanvankelijke sceptici in de Kamerfractie van zijn partij zeggen dat. Jan Boelhouwer: „Ik dacht eerst: wat moet je met zo’n wetenschapper? Wereldvreemd is dan het woord dat in je opkomt. Maar toen ik me met Plasterk in een volkswijk begaf, zag ik dat hij het echt kan. De mensen waardeerden hem.”

Dat gaat niet alleen maar spontaan. Achter de vele bezoekjes van Plasterk zit een plan, een Amerikaanse opvatting van politiek bedrijven waarin je je eigen mediamomenten creëert. Dat scoort naamsbekendheid en populariteit, wat weer de basis is voor politiek kapitaal. Als hij op werkbezoek gaat, doktert hij vooraf vaak een fotomoment uit. Bij een bezoek aan een hogeschool wil hij naar de opleiding mondverzorging om daar, omgeven door studenten en zónder bestuurders, in een gebit te boren. Naar het televisieprogramma De Wereld Draait Door neemt hij een scan van zijn eigen hersens mee. Wanneer hij naar de Kamer moet om over de plaats van het Nationaal Historisch Museum te praten, zit een plattegrond van Arnhem in zijn binnenzak; geheid een mooi plaatje in Het Journaal.

Zijn speechschrijvers zijn inmiddels opgehouden teksten voor hem uit te schrijven, ze leveren alleen nog ‘bouwstenen’. Plasterk trekt toch zijn eigen plan. Hij zegt dat ook voortdurend: bij optredens vertrouwt hij op het eigen improvisatietalent. Daar is hij intelligent genoeg voor. Al gaat het soms fout. Tijdens de architectuurbiënnale in Venetië vertelde hij een volle zaal dat „wij Nederlanders” onze eigen 11 september hebben: de brand in de bouwkundefaculteit in Delft. Aanwezige Amerikanen vinden de vergelijking, zacht gezegd, ongelukkig gekozen. Sommigen lopen weg.

Bestuurders ergeren zich geregeld aan zijn publieke optredens, al was het maar omdat Plasterk hen daarbij niet kan gebruiken. Tijdens de opening van het hogeschooljaar in Eindhoven gaf hij de raad van toezicht, tot ergernis van de leden, niet eens een hand. Bij een bijeenkomst over de banden tussen wetenschap en kunst in het Groninger Museum moesten de organisatoren knarsetandend constateren dat Plasterk koos voor een bezoek aan theaterfestival Oerol, op Terschelling. Staatssecretaris Timmermans verzorgde daar de opening. Plasterk had er geen ceremoniële verplichting, maar er waren wel camera’s. Ronald Plasterk wil zichtbaar zijn. Hij haalde het Stan Huygens Journaal, de societyrubriek van De Telegraaf , in het afgelopen jaar bijna twee keer zo vaak als Wouter Bos, vicepremier en partijleider. Het staat 21-12 voor Plasterk.

Voormalig CDA-ideoloog Anton Zijderveld plaatst vraagtekens bij „de zucht naar populariteit” van Ronald Plasterk. Het verzandt in populisme. Maar Doekle Terpstra, voorzitter van de HBO-Raad, neemt zijn „pet af voor de manier waarop hij de media bespeelt”. Alleen maakt die publieke geldingsdrang hem wel „een haastig en onrustig bestuurder”. De mediamomenten breken zijn concentratie. IJdelheid is zijn grootste obstakel, vult Riezenkamp aan. „Hij kan daardoor niet de concentratie opbrengen om een strategie voor langetermijndoelen te ontwikkelen.”

Plasterks goede vriend en partijgenoot Jan van Coeverden vindt het te makkelijk om Plasterks publieke optredens te diskwalificeren als „populistisch”. Climate setting is een van de belangrijkste functies van een politicus. Je moet een persoonlijke campagne voeren, zegt hij, dat hoort bij het ambt. „Als Obama het doet, vinden we het prima, in Nederland mag het niet.”

Het mag best, zegt Ronald van Raak, Kamerlid voor de SP. „De vraag is alleen of het echt, authentiek is.” Het antwoord geeft Van Raak zelf. Hij gelooft niets van een permanente verbondenheid van Plasterk met de onderklasse. De SP’er herinnert zich een bijeenkomst over het onderwijs. Plasterk was nog columnist. Van Raak wond zich op over het verdwijnen van de vakscholen en vertelde de aanwezigen over zijn neef. Die neef wilde dolgraag fietsenmaker worden. Maar omdat er geen ambachtsschool meer bestaat, moest hij naar het vmbo. Daar leert hij nu Engels en wiskunde, niet het fietsenmakersvak. Met dank aan de sociaal-democratische onderwijspolitiek.

Na het debat complimenteerde columnist Plasterk Van Raak met zijn bijdrage. Maar hij vond dat „het niet kon” dat het SP-Kamerlid er een verhaal van zo’n verzonnen neef bij had gesleept. „Zoiets doe je niet.”

Zoiets doe je niet? Van Raak kan er opnieuw woedend van worden. „Ik héb zo’n neef!” Even later: „Waarom zou ik mijn neef verzinnen?”

Plasterk de sociaal-democraat

Een nepsocialist is Plasterk niet. „Oud links”, noemt Kamerlid Mei Li Vos hem zelfs. Plasterks vrienden beamen dat. Paul Bordewijk, die met hem actief was in de Leidse gemeentepolitiek, wijst op de consistentie in Plasterks „klassiek sociaal-democratische” opvattingen. Zo was hij al in 1991 mordicus tegen de door Wim Kok gesteunde ingrepen in WAO en Ziektewet. Eurosceptisch was Plasterk ook al: in een artikel dat Bordewijk en hij een jaar later samen schreven voor Socialisme&Democratie wekten ze begrip voor de nee-stemmers in een Deens referendum over de EU. De portee: je kunt niet altijd alle neoliberale besluiten uit Brussel accepteren met het verhaal dat Europa zorgt voor een eeuwigdurende vrede. Plasterks argument voor zijn nee-stem bij het referendum in Nederland luidde niet heel anders. Bordewijk: „Ronald is altijd vurig verdediger geweest van de voorzieningen van de verzorgingsstaat.”

Plasterks politieke vorming kreeg hij in de gemeenteraad, waar hij onder meer ‘samenlevingsopbouw’ in zijn portefeuille had. Maar zijn linkse opvattingen waren al eerder aan het licht gekomen, als bestuurder van studentenvereniging Augustinus. Het was oorlog in het pand, herinnert medebestuurslid Rudo Jockin zich. „Want we wilden er een open jongerenvereniging van maken.” Naast bevoorrechte studenten moesten ook werklozen en bouwvakkers lid kunnen worden. Als eenvoudige jongens, verklaart medebestuurder Jan van Coeverden, die later met Plasterk lid werd van de Leidse PvdA, probeerden wij bruggen te slaan tussen „onze afkomst en de elitaire universitaire wereld”.

Studentenbestuurder Plasterk boycotte appels uit Chili, schreef een telegram aan Pinochet en deed mee aan een Kerst-in, met bejaarden en gastarbeiders. Dat ging niet altijd gemakkelijk, ook niet in de Leidse PvdA. Plasterk en de andere student-politici wisten niet wat ze aan moesten met een verweesd partijlid dat op een galerijflat woonde en klaagde over islamitische buren die een schaap slachtten. Jan van Coeverden: „Toen al!”

Na twee jaar verliet Plasterk de gemeenteraad. Hij koos voor een wetenschappelijke carrière, te beginnen in Pasadena, aan de westkust van de Verenigde Staten. Maar zijn politieke interesse verdween nooit. Mensen die hem al lang kennen, relativeren de overstap naar het ministerschap. Zijn oud-collega Hoekstra zag altijd al eigenschappen bij Plasterk die een politicus goed van pas komen. „Een politicus moet leven bij de gelegenheid. Dat deed hij.” Bordewijk heeft zijn vriend al jaren eerder bij de kandidatencommissie van de PvdA getipt als Kamerlid. Plasterk had er wel oren naar, maar de partij vond de hoogleraar destijds „te zwaar” voor het Kamerlidmaatschap.

Met steeds politiekere columns in de Volkskrant en Buitenhof speelde hij zich in de kijker van PvdA-leider Bos. Hij mocht meeschrijven aan het verkiezingsprogramma. Eenmaal minister was Plasterk direct een ster van de partij, ook de Kamerleden voor de PvdA zagen dat. Ze waren er blij mee. „Iemand die op zijn eigen, populistische manier uit de Wilderskramp probeert te komen”, zoals een van hen de aanvankelijke blijdschap omschrijft.

Plasterk de toekomstig partijleider?

Het enthousiasme is inmiddels getemperd. Ronald Plasterk blijkt geen teamspeler. Aan zijn politiek instinct wordt getwijfeld. Hij is slim, maar soms te snel, zoals bleek bij zijn optreden rond het Nationaal Historisch Museum (NHM). Toen onderschatte hij de invloed van het CDA. De kwestie leek klein: moet het museum in het bos of aan het water? Maar omdat Plasterk het CDA al twee keer had klemgezet (met de keuze voor Arnhem en de voorzitter van de raad van toezicht) lieten de christen-democraten, met actieve bemoeienis van de toezichthouder van het openluchtmuseum Wellink en diens partijgenoot Balkenende, hem nu terugbetalen.

In de partij heeft hij ook kwaad bloed gezet met een interview dat hij direct na de Europese verkiezingen gaf, over het dramatische verlies van de PvdA. Hoezo weer de wijken in? Is dat niet wat PvdA-politici al jaren zeggen én doen? „Kan hij met niets fundamentelers komen?”, vroeg oudgediende Jacques Wallage zich boos af. En hoezo te veel doctorandussen in de partij en te weinig arbeiderszonen? Is juist Plasterk niet de verpersoonlijking van de elite in de partij? Bovendien: wie zegt voor het verheffingsideaal te strijden, mag het toch niet uitmaken wat de afkomst van een PvdA-politicus is? Zelfs zijn potentiële bondgenoten binnen de partij klagen dat ze niet goed weten waar hij staat. Vindt Plasterk dat de partij louter spreekbuis is van de onderklasse of moet de PvdA vooral uit zijn op haar emancipatie? Resultaat: beide kampen in de partij noemen de man „te conflictmijdend”. Tot nu toe overstijgt geen gedachte zijn loyaliteit aan Bos. Diens leiderschap staat weer ter discussie als gevolg van de desastreuze Europese verkiezingsuitslag en de teleurstellende peilingen. „Plasterk denkt dat hij met loyaliteit aan Bos zijn kansen op het partijleiderschap vergroot”, zegt een invloedrijk partijgenoot in Den Haag. „Maar het is maar de vraag of dat zo is. In de politiek moet je af en toe ook op een paard durven te wedden.”

Goede vriend Van Coeverden wijst op nog een ander partijprobleem, waarvoor hij Ronald al heeft gewaarschuwd toen hij als minister begon en waar zijn rivaal Eberhard van der Laan nu ook mee te maken krijgt. We zijn bij de PvdA, zegt Van Coeverden, onze eigen tegenstander geworden. „Grote instellingen in het onderwijs en de volkshuisvesting zijn vergeven van sociaal-democratische managers die rondrijden in een auto met chauffeur. Als je je eigen volk moet zeggen dat ze weer kleiner moeten worden, raken ze die auto met chauffeur kwijt. Hun privileges leveren ze niet zomaar in.”

Zelf zegt Ronald Plasterk nog een termijn als minister van Onderwijs te ambiëren. Om zijn werk af te kunnen maken. Over het leiderschap van de partij laat hij zich niet uit. Maar „als het op zijn weg komt”, zeggen alle gesprekspartners, „en de partij doet een beroep op hem”, dan gaat hij ervoor. Dan wordt Ronald Plasterk de nieuwe Wouter Bos.

Wat als de PvdA niet in de regering komt? Wordt Ronald Plasterk dan Tweede Kamerlid? Zelf zegt hij daar geen bezwaar tegen te hebben. De geïnterviewden betwijfelen dat. Alleen Jan van Coeverden verwacht dat hij de Tweede Kamer in gaat en daar serieus werk van zal maken. „Maar zodra er iets anders voorbijkomt, zoals een burgemeesterschap van Amsterdam, dan doet-ie dat. Het moet voor Ronald ook showy blijven.”

Voor meer meningen over Plasterk en een discussie over zijn beleid op het gebied van hoger onderwijs, zie: nrc.nl/nrcweekblad