Met ons historisch besef gaat het fantastisch

Een jarenlange stroom aan stukken over onze omgang met geschiedenis, de ijkpunten daarvan, de gemeenschappelijke waarden die erin verborgen liggen, en dat alles over de volle breedte van de samenleving – als dat niet van historisch besef getuigt, wat dan wel?

Historicus en presentator van ‘Andere Tijden’. In 1996 promoveerde hij op zijn biografie over Herman Heijermans, ‘Geluk’.

Op een avond aan de afwas horen mijn betere helft en ik ons zoontje in de badkamer, spetterend in zijn teil en mompelend, een heel verhaal. We kijken om de hoek van de deur en zien hem in totale concentratie tegels poetsen met zijn paarse nijlpaardspons.

„Weet je waarom ik dit doe?” vraagt hij zonder op te kijken.

„Nou?”

„Als het huis later oud is en er niemand meer woont… en de graafmachine komt… dat dit plekje dan schoon is.”

Met een druipend bord in handen kijk ik hoe hij verder werkt en overdenk zijn voornemen. Dit huis is uit 1685. Het overleeft al meer dan driehonderd jaar, maar het is waar, ooit woont er niemand meer en komt er een machine waar je niet aan durft te denken. Ik tenminste niet. Hij blijkbaar wel. Daar in de teil reist hij de eeuwen door en stelt het zich vast voor. De neergang en vernieling van een plek die wij en heel veel mensen voor en na ons thuis hebben genoemd, en dan dat ene schone plekje, door zijn toedoen.

Wat bedoelt hij eigenlijk? Wat heb je aan dat schone plekje als de graafmachine het toch vies en stuk komt maken? Of denkt hij soms dat een plekje dat zo prachtig schoon is ongemoeid zal blijven bij de sloop? Hij ziet geen aanleiding voor somberheid, dat blijkt wel, hij is lekker aan het werk, hij is iets aan het redden. Drie jaar oud ontdekt hij het idee van een verweer tegen de tijd. Kijk ’m toch. Een historicus.

Het woord dient zich aan met een klap. Een veel te groot woord, te bedacht en te volwassen, en vermoedelijk een teken van betrekkingswaan. Omdat ik zelf historicus ben moet die jongen het ook worden zeker. Mag hij dat misschien zelf uitmaken? Het joch is drie, waar slaat dit op.

Maar toch. Daar in de tobbe zit een jonge onderzoeker vorm te geven aan een stuk verleden om het te bewaren voor de toekomst. Dat is toch wat een historicus doet – en dat hij daar geen flauw idee van heeft is juist wat het verbazend maakt. Hoe komt hij erop.

Er is nog iets vreemds in deze scène. We leven in een tijd waarin steeds wordt gezegd dat er iets schort aan ons historisch besef. We zijn dat kwijt. We hebben het verwaarloosd in decennia van treurige onachtzaamheid en zitten daar nu mee, want daardoor zijn we ook onszelf kwijt. Zonder een gedeeld verleden valt de Nederlandse samenleving uit elkaar. We staan voor de keuze. Of we gooien onszelf voorgoed weg, of we zoeken naar een nieuwe aansluiting bij het oude Nederland. Geschiedenis als civil religion voor de 21e eeuw – om nieuwkomers in onze samenleving in te burgeren, oudgedienden bij te spijkeren, burgerzin te stimuleren en begrip tussen bevolkingsgroepen te wekken, kortom de cohesie van de samenleving te bevorderen.

Opiniemakers schrijven het. Politici beweren het. De Kamer geeft de aanzet tot de samenstelling van een prestigieuze Canon van Nederland en tot de stichting van een mogelijk nog prestigieuzer Nationaal Historisch Museum. De toekomst van het land hangt ervan af, we moeten ons historisch besef terugvinden. Dan is het eigenaardig om een kind te zien dat het al teruggevonden lijkt te hebben en het mogelijk nooit kwijt geweest is. Hoe zit het met dat historische besef van ons?

Na een rondje googelen vind ik de naam Arie Wilschut van het Instituut voor Geschiedenisdidactiek aan de Universiteit van Amsterdam en bel hem op met het verhaal van mijn genie van drie. Hij klinkt alsof hij fronst. Een kleuter die, zeg maar, getuigt van historisch besef? Het klinkt ineens belachelijk, ik hoor het zelf. Hij stuurt me stukken door over de historische ontwikkeling bij kinderen.

Een middag lezen later heb ik een idee hoe die verloopt tot aan het stadium van de volwassenheid. Dat ligt in dit verband zo rond ons zestiende, wanneer de hersenontwikkeling en scholing zover zijn gevorderd dat we de afstand tussen tijden kunnen schatten. Termen als ‘de Oudheid’ en ‘de Gouden Eeuw’ gaan we met enige vanzelfsprekendheid gebruiken, we krijgen greep op de begrippen die de basis vormen van een gesprek over geschiedenis. Het raamwerk in ons hoofd ligt klaar.

Het bouwen van dat raamwerk krijgt gewoonlijk pas vanaf ons tiende, elfde vorm. Voordien zijn tijdvakken van eeuwen te omvangrijk om te overzien en kijken we, op het gehandicapte af, bijziend naar het verleden. Dichtbij in de tijd laten de dingen zich nog onderscheiden, denk aan het verschil in leeftijd tussen vader en grootvader, maar verder terug vervaagt het beeld en worden Gouden Eeuw en Oudheid één pot nat.

Toch – luister goed naar kinderen van vijf en je ontdekt dat ze, in hun gebrekkige taal en zonder kennis van de jaartallen, al zoeken naar een chronologie van vroegere gebeurtenissen. Kinderen van vier proberen zich de tijd voor hun geboorte voor te stellen. Kinderen van drie, zelfs tweeënhalf, verdelen de tijd in toen, nu en later. Het besef dat er geschiedenis bestaat en dat het van belang kan zijn, leeft al bij hen, en eigenlijk is het dus helemaal niet zo bijzonder dat een driejarige zich laat betrappen als historicus in de maak. Mijn zoon is niet excentriek of hoogbegaafd of iets anders ergs, en ik al evenmin. Wij delen een gevoeligheid die iedereen heeft, op z’n minst in aanleg, al van jongs af aan. Historische belangstelling hoort bij de kerninventaris van de menselijke geest.

Blijft de vraag hoe die daar komt. Als ik naar mijn zoontje kijk, zie ik bij God niet hoe de opvoeding daaraan bijdraagt, want we hebben het nooit over geschiedenis, daar is hij veel te jong voor. Kan het niet zijn dat er nature bij de nurture zit?

Ik vraag het Douwe Draaisma, psycholoog aan de Rijksuniversiteit Groningen en kenner van de wijze waarop onze geest de tijd begrijpt. Gesteld voor de keuze tussen aanleg en omgevingsinvloeden zegt hij: „Mijn indruk is wel dat omgevingsinvloeden overschat worden. Zelfs mensen die een seksecorrecte opvoeding willen geven, vis-à-vis autootjes en poppen en zo, merken dat er aan die van binnenuit gestuurde belangstelling weinig toe of af te doen is.”

Dat beschouw ik als een aanmoediging om door te vragen. Als het waar is dat historische belangstelling een element van nature in zich draagt, dan gaat het kennelijk van generatie op generatie over, en dat suggereert dat er een evolutionair belang mee is gemoeid. Anders zou het immers uitsterven langs de weg van de natuurlijke selectie. We komen hier op het terrein van de verreikende ideeën, om niet te zeggen van de wilde speculatie, en ik vraag me af of hier ooit over is geschreven, maar laten we het eens proberen. Historische belangstelling als instrument dat door de evolutie al op onze harde schijf gezet is voor het voortleven van de menselijke soort. Kan dat?

Weer een vraag de deur uit, dit keer naar Chris Buskes. Hij is wetenschapsfilosoof aan de Radboud Universiteit in Nijmegen en schrijver van Evolutionair denken. De invloed van Darwin op ons wereldbeeld. Hij schrijft terug dat hij op dit gebied geen onderzoek kent en er nooit specifiek over heeft nagedacht, maar durft een stelling aan op basis van een onverstoorbare logica: „Kennis van en belangstelling voor de geschiedenis kan zeker evolutionair voordeel hebben betekend. Als je enigszins begrijpt hoe de wereld in elkaar steekt, en ook beseft hoe je zelf bent geworden wie je bent, heb je onmiskenbaar een streepje voor op individuen die dit alles ontgaan.”

Alsof het vanzelf spreekt. En dat lijkt het ook te doen als je vanuit de evolutiepsychologie kijkt. In zijn boek ziet Buskes evolutionaire krachten achter de ontwikkeling van taal, cultuur, religie en moraal. Zelfs ons besef van schoonheid, meestal toch bezien als een behoorlijk nutteloze faculteit van onze geest, door liefhebbers van kunst-om-de-kunst juist om die nutteloosheid bewonderd, krijgt een essentieel belang voor onze evolutionaire overleving. Vruchtbare landschappen herkennen we als mooi. Vruchtbare partners ook. Oorspronkelijk staat schoonheidsbesef in dienst van onze ‘evolutionaire fitness’ – schitterende term – en als je dat tot je laat doordringen wordt het volstrekt aannemelijk dat voor historische belangstelling hetzelfde geldt.

Laten we ons dat eens proberen voor te stellen, aan de hand van een boek dat net een van die menselijke faculteiten onder de loep neemt die naar Buskes’ overtuiging sterk gevormd zijn door de evolutie. Het morele instinct. Over de natuurlijke oorsprong van onze moraal van Jan Verplaetse, filosoof aan de Universiteit Gent, doet een majestueuze poging onderzoek uit vele vakgebieden in elkaar te passen voor de hypothese dat onze moraal niet alleen wordt gevormd door opvoeding en andere cultuurinvloeden maar, jawel, ook door de evolutie.

Verplaetse ziet daarbij verschillende morele systemen aan het werk. Maar de eerste en meest elementaire is wel die van de hechting, die organiseert dat mensen zich aan elkaar binden, en die brengt mij op een vraag aan hem. Als een kind zich een idee vormt van zijn groep verwanten, kan het dan niet zijn dat de geschiedenis daarin een rol speelt? Opa’s, oma’s, neven, nichten zal het in de regel niet herkennen aan hun uiterlijke overeenkomsten met vader, moeder, broertje, zusje. Daar is meer voor nodig. Op z’n minst zoiets als de geslachtslijsten in het Oude Testament waarin Adam op zijn 130ste Set verwekte en Set op zijn 105de Enos. Maar liever nog een aangeklede versie daarvan, een verhaal met een intrige waar het kind zelf in is opgenomen en waar het betekenis aan kan ontlenen. Zou dat niet een prachtig stukje evolutionaire fitness zijn?

Verplaetse wil het niet ontkennen. „Er zijn wel wat aanknopingspunten”, schrijft hij terug. Maar wat ik eigenlijk moet lezen, zegt hij, is een nieuw boek van ontwikkelingspsycholoog Bruce M. Hood. Dat raakt aan mijn vraag, maar het denkt langs een heel ander spoor, en in zijn consequenties reikt het ver voorbij wat ik bedacht had. Supersense heet het, Why we believe in the unbelievable.

Die titel blijkt bedoeld als een omschrijving voor de menselijke hang naar magisch denken – de neiging dingen een betekenis te geven die verstandelijk niet te verantwoorden valt. Die manier van denken werkt ook diep door in onze omgang met verwantschap en geschiedenis. Denk aan het erfstuk van een grootvader dat we in ere houden vanuit het gevoel dat opa zelf erin aanwezig is. Of denk aan het originele manuscript van een groot dichter, dat we als toerist bezichtigen om er zijn geest in op te snuiven. Het is een denktrant die lijkt terug te gaan tot vroege evolutionaire stadia van de beschaving, bovennatuurlijk en dus moeilijk te verdedigen voor een moderne geest. Maar het opmerkelijke is dat we er toch aan vasthouden. „Dit soort denken stelt ons in staat ons verbonden te voelen met onze familie en onze voorouders, en ons een gevoel van oorsprong en richting te geven.”

Sterker, dit soort denken stelt ons in het algemeen in staat om dingen als uniek te onderscheiden. Het geeft alles om ons heen een essentieel gevoel van identiteit mee en voorziet de wereld daarmee van emotionele diepte. Dit is van mij, hier vecht ik voor, dit is van jou, daar blijf ik af. Het schept morele wetten en taboes, het ordent het sociale leven, het bepaalt de waarde van mens, dier en ding. Wat doet het eigenlijk niet?

Als Hood gelijk heeft, draagt een goed oog voor verwantschap en geschiedenis dus ongelofelijk veel bij aan onze evolutionaire fitness. Het geeft ons waarden mee en normen, eigenheid en een besef daarvan, en het is daarmee een beslissende kracht bij het ontstaan van wat je de cohesie van de samenleving zou kunnen noemen.

En ineens zijn we dan rond. Want die cohesie en die waarden, dat is toch precies waar het om draait in de discussie van de laatste jaren over het historisch besef dat we vergeten en verloren zijn?

Jawel, dat is het. Maar met één verschil. In deze versie zijn we het ineens niet meer vergeten en verloren. Het is bij ons, want het zit ons in de genen, en het zit daar al zolang als er een mens bestaat die met zijn medemensen een beschaving van de grond probeert te krijgen. Sinds de Babyloniërs bij wie we de geschiedenis over het algemeen laten beginnen. Sinds de tienduizenden jaren prehistorie die daaraan voorafgingen. Historisch besef lijkt ouder dan de paar duizend jaar die we historie noemen, zo ver gaat het, en het lijkt ook nog heel lang mee te kunnen gaan. Zo lang als wij.

Met die gedachte in het achterhoofd, kijk nog eens goed naar het debat over het historisch besef van de afgelopen jaren. Dat mag zich dan toespitsen op alles wat er schijnt te missen, het debat zelf is onloochenbaar een uiting van historisch besef. Een jarenlange stroom aan stukken en discussies over onze omgang met geschiedenis, de ijkpunten daarvan, de gemeenschappelijke waarden die erin verborgen liggen, en dat alles over de volle breedte van de samenleving – als dat niet van historisch besef getuigt, wat dan wel?

Wij zoeken naar de bril die al een hele tijd op onze neus staat. Hoort u het de komende tijd opnieuw, de onheilstijding over ons historisch besef, leun dan tevreden achterover en geniet, want hoe lawaaiiger er wordt geklaagd, hoe zekerder u kunt zijn. Met dat besef gaat het fantastisch.

Deze tekst is een bewerking van de jaarlijkse Letterenlezing van de Rijksuniversiteit Groningen. De lezing werd dinsdag uitgesproken.