Liberaal met oog voor de verzorgingsstaat

Bewogenheid is ook voor liberalen, vond Edzo Toxopeus. Hij maakte zich sterk voor getrouwde onderwijzeressen, Papoea’s en slechtbetaalde ambtenaren.

„Toxo-pay-us”, riepen de spandoeken van de protesterende ambtenaren begin jaren zestig. En betalen deed de aangesproken minister van Binnenlandse Zaken, mr. E.H. Toxopeus. Alle ambtenaren kregen in 1963 een flinke salarisverhoging om de achterstand bij de loonontwikkeling in het bedrijfsleven weg te werken. Het sociaal-economisch begrippenjargon was sindsdien verrijkt met de term Toxopeusronde, een nieuwe illustratie van Nederland als zich snel ontwikkelende welvaartsstaat.

Minister van Staat Edzo Toxopeus, zondag op 91-jarige leeftijd overleden, heeft er nooit spijt van gehad. Net zo min als van zijn besluit de salarissen van het overheidspersoneel te koppelen aan de gemiddelde loonstijging in het bedrijfsleven. Politieke winst als aanvoerder van de VVD leverde het niet op. Toen hij in 1963 voor het eerst als lijsttrekker optrad, verloren de liberalen drie van hun negentien zetels. Vier jaar later was er één zetel winst.

Toxopeus behoorde tot de liberale leiders van de Volkspartij voor Vrijheid en Democratie voordat deze echt partij van het volk was. Die doorbraak kwam later, onder Hans Wiegel. Velen beschouwden de VVD van Toxopeus als partij voor welgestelden. Zo schreef De Volkskrant, ‘dagblad voor katholiek Nederland’, hem de „bewogenheid van de tennisbaan” toe.

Bewogenheid behoorde volgens Toxopeus niet exclusief aan kerk of particulieren toe. Hij was een pleitbezorger van de verzorgingsstaat, om te voorkomen dat mensen afhankelijk zouden worden van de bedeling. „Zo eng, zo griezelig paternalistisch. Dat is vreselijk. Daarom was ik in het kabinet-De Quay ook een groot voorstander van de Bijstandswet. Die is uit de hand gelopen, maar het principe dat je niet afhankelijk bent van de goedertierenheid van de medemens vind ik heel belangrijk”, zei hij in 1989 in deze krant.

Toxopeus, zoon van een Lutherse predikant, advocaat en gemeenteraadslid in Breda, kwam in 1956 in de Tweede Kamer. Daar hield hij zich aanvankelijk bezig met volkshuisvesting. In zijn maidenspeech voorspelde hij dat de woningnood – in die jaren een groot politiek thema – nog zeker vijftien jaar zou aanhouden. In diezelfde tijd diende hij een amendement in om de onderwijswet zo te wijzigen dat onderwijzeressen niet langer konden worden ontslagen omdat zij trouwden. Het wijzigingsvoorstel werd verworpen; de christen-democraten en sociaal-democraten in het derde kabinet-Drees vonden het onaanvaardbaar.

In 1959 werd Toxopeus minister van Binnenlandse Zaken in het kabinet-De Quay. Dat ministerschap prolongeerde hij in 1963, in het kabinet-Marijnen. Als minister kreeg hij, behalve met de ambtenarensalarissen, ook te maken met de expansiedrift van de grote steden. Fel keerde hij zich tegen plannen van Amsterdam om de Bijlmermeer vol te bouwen. Hij voelde veel meer voor sterke randgemeenten, zoals Diemen. Daarbij had hij ook een politieke motief: Amsterdam moest niet te groot worden. Na een forse Amsterdamse lobby verloor Toxopeus de strijd. Hij overwoog zelfs af te treden. Het hele kabinet stapte echter op na een conflict over de omroep.

In de kwestie rond de onafhankelijkheid van Nieuw-Guinea koos Toxopeus begin jaren zestig voor de daar wonende Papoea’s. Met minister Luns van Buitenlandse Zaken was hij fel gekant tegen overdracht aan Indonesië. Het was „een morele plicht van Nederland” op te komen voor het zelfbeschikkingsrecht van de Papoea’s, vond hij. Toxopeus ergerde zich enorm aan Robert Kennedy, Amerikaans minister van Justitie en broer van de president, die naar Den Haag was gekomen om Nederland tot een inschikkelijker houding te bewegen. Toxopeus vond dat Kennedy zo onbeschoft en intimiderend te werk ging dat hij tijdens een diner met de Amerikaan opstond en de zaal verliet. De positie van Nederland bleek onhoudbaar. In 1962 was Toxopeus als minister één van de verantwoordelijken voor het Verdrag van New York waarin de overdracht van Nieuw-Guinea aan Indonesië werd beklonken.

Na de val van het kabinet-Marijnen mocht Toxopeus zich even leider noemen van de oppositie tegen het kabinet-Cals, dat zonder tussentijdse verkiezingen tot stand was gekomen. „Het kabinet dient heen te gaan”, zei hij bij de Algemene Beschouwingen van 1966. Het kabinet ging twee dagen later, door toedoen van KVP-fractievoorzitter Schmelzer.

Na nog enkele jaren als fractievoorzitter, verliet Toxopeus in 1970 de actieve politiek. Hij werd commissaris van de koningin in Groningen, en tien jaar later lid van de Raad van State. De VVD deed in 1977 nog een beroep op hem om minister van Buitenlandse Zaken te worden – tevergeefs.

Als 71-jarige was Toxopeus in 1989 nog wel voorzitter van de partijcommissie die het verkiezingsprogramma opstelde. Daarvoor had hij „ongans veel” moeten lezen, luisteren en discussiëren. Die opmerking leek nog eens de luiheid te bevestigen die hem als politicus meer dan eens was verweten. Anderen zagen er juist een ontspannen houding in, en relativering van het politieke bedrijf. Dat gold in ieder geval voor Toxopeus’ partijgenoot Henk Vonhoff, die in 1988 een korte biografie over hem schreef. Volgens Vonhoff was het bijbelse citaat van Prediker goed op Toxopeus toepasbaar: „Beter is een hand vol rust dan beide vuisten vol zwoegen en het najagen van de wind.”