'Ik zie de mens als een mislukt product'

Ooit was Lucassen voorman van de Nieuwe Figuratie, later mocht hij ‘alles gebruiken’. In zijn zeventigste jaar wordt hij met veel exposities geëerd.

Reinier Lucassen. Foto NRC, Leo van Velzen Amsterdam, 12-08-09. Reinier Lucassen, kunstenaar. (Wilde absoluut niet in z'n atelier gefotografeerd worden). Foto Leo van Velzen NrcHb Velzen, Leo van

Lucassens vrouw zegt dat hij een verdieping lager in zijn atelier is en zo komt. Aan de muur van hun ruime woonkamer op twee hoog in een rustige straat in Amsterdam-Zuid hangt veel kunst van anderen (Jean Brusselmans, Lucebert, Roger Raveel) en overal staan etnische beelden. Het schilderij in een verre hoek van de kamer zou van hem zelf kunnen zijn.

Lucassen vierde in april zijn zeventigste verjaardag. In mei kreeg hij van zijn galerie Nouvelles Images een solo-expositie op Art Amsterdam. Vorige week opende in museum Belvédère in Heerenveen een expositie over beeld en taal met veel werk van hem. Morgen start een expositie van zijn collages bij Nouvelles Images in Den Haag. In december krijgt hij een overzichtstentoonstelling in Stedelijk Museum Schiedam, plus een dik boek over zijn werk van de afgelopen tien jaar.

Sinds hij midden jaren zestig doorbrak als één van de eerste schilders die het weer waagden om herkenbare figuren te schilderen, heeft zijn werk zich een paar maal veranderd. Toch is het oeuvre van Lucassen al bijna vijftig jaar erg consistent. Altijd bestaat het deels uit abstracte vlakken en vaak staan er woorden op het doek.

Lucassen heeft rond de jaren tachtig een periode gehad waarin hij werkte met blobvormen en cijfers die ergens voor stonden. Kunsthistorici wisten precies wat de 2, de 3 of de 7 betekenden (onmacht, werkelijkheid en wereld), maar belangrijk om zijn werk te kunnen waarderen was dat nooit. Het intrigeerde wel, zoals zijn schilderijen altijd spannend zijn omdat de vormen en de betekenis je op aangename wijze ontsnappen. ‘Beeldgedichten’, heeft hij zijn werk wel eens genoemd.

Als Lucassen na een tijdje de kamer binnenkomt, draagt hij een opvallende ronde bril met zwart designmontuur. Misschien wat te voor een man van zeventig, maar op foto’s van vroeger heeft hij ook altijd van die gewaagd modieuze brillen. Reinier Lucassen is een kleine, stevige man, met een aarzelende en tegelijk zelfverzekerde stem. Hij spreekt met een licht Amsterdams accent.

Was u aan het werk beneden?

„Op het moment schilder ik.”

Aan een nieuw schilderij?

„Nee, ik werk er nogal lang aan.”

Hoe lang?

„Soms een paar weken en ook wel eens, zoals bij deze, ben ik een paar jaar bezig. Niet continu natuurlijk. Als het niet klopt, en ik weet niet waarin het zit, dan zet ik het weg. Pas na een hele tijd zie ik wat er niet goed aan is.”

Wat was er mis met deze?

„Hier zat het vooral in de kleur. Die was niet goed afgewogen. Ik had de vormpjes Veronese groen gemaakt. Ze waren al een keer roze geweest, en eerder geel. Nu zijn ze zwart en ik denk dat het klopt. Maar dat weet ik pas na een paar weken. Het is heel intuïtief.”

U schildert al vijftig jaar?

„En ik weet nog steeds niet hoe het moet. Iets kan in één werk een fantastische kleurstelling zijn en in een ander werk opeens niet kloppen. Ieder ding vraagt om andere oplossingen: er is geen formule.”

U weet vooraf hoe het eruit moet zien?

„Eigenlijk zie ik beelden in mijn hoofd. Die maak ik, en soms klopt het dan nog niet bij wat ik zag.”

Zitten de woorden al bij het eerste beeld in uw hoofd?

„Vaak wel. Ik schrijf geen woorden, ik schilder woorden. Een woord, een abstracte vorm, en een concreet iets zijn voor mij hetzelfde. De woorden zijn geen toevoeging, zo mag het niet overkomen. Alles is even belangrijk.”

U bent een echte Amsterdammer?

„Ik ben hier in 1939 geboren en nooit vertrokken. Ik kom uit de Marnixstraat. Treurige straat, vreselijk lang en kaal. Mijn moeder is tijdens de oorlog ziek geworden door ondervoeding [zijn vader is in 1944 in een Duits werkkamp omgekomen, red.]. Ze is gestorven aan tbc en mijn zusje en ik zijn naar het Burger Weeshuis gebracht, wat nu het Amsterdams Historisch Museum is.”

Hoe bent u aan de kunst geraakt?

„Ik heb altijd getekend, ook als kind thuis al. In het weeshuis viel het op. Ik wilde naar de academie, maar dat vond de directeur van het weeshuis niks, want dat zou armoede worden. Ik mocht wel naar de opleiding voor tekenleraar. Dat is mijn geluk geweest. Ik had hem er kennelijk van overtuigd dat ik dat per se moest doen.”

Zat er iets artistieks in uw familie?

„Niet echt. Ik had alleen een opaatje die van die kitsch schilderijen voor de handel maakte. Italiaanse landschappen of interieurs met een moeder bij de open haard in de stijl van de Larense School. Als kindje had ik daar veel respect voor. Hij deed het in zijn keukentje, op een klein ezeltje. Het was mijn eerste aanraking met kunst.

„In het weekend mochten we vanuit het weeshuis naar een familielid, als je dat had. Mijn opaatje vond het wel goed als ik op zo’n middag naar het Rijksmuseum ging. Toen ik een jaar of tien was ging ik voor het eerst naar het Stedelijk. De zaal met expressionisten vond ik een openbaring. Toen ik eind jaren vijftig op de Rijksnormaalschool voor tekenleraren zat in de tuin van het Rijksmuseum, ging ik bijna iedere middag wel eventjes naar het Stedelijk. Toen waren daar de mensen van Cobra te zien. Lucebert maakte een overweldigende indruk op me. Ik weet nog dat ik voor het eerst de litho’s De muur van Dubuffet zag. Op school moest ik academisch werken naar model, portretten en stillevens. Voor me zelf probeerde ik wel eens wat anders. Bij Dubuffet zag ik wat ik in mijn hoofd had.”

U heeft altijd verschillende stijlen gecombineerd.

„Toen ik begon was grote kunst volgens de mensen abstract of semi-abstract. Figuratie mocht niet. Bij abstracte kunst is de vorm het onderwerp, buiten het schilderij heeft het geen inhoud. Ik vond dat te beperkend. De synthese van stijlen en opvattingen is de rode draad in mijn werk. Ik hoef niet te kiezen, ik mag alles gebruiken.”

Eind jaren ’70 verdwijnen de figuren van uw doeken en gaat u van die blobvormen schilderen. Hoe noemt u die stijl?

„Abstract symbolisme: een abstractie die een werkelijkheid buiten het schilderij uitdrukt. Niet in een figuratieve vorm, maar bijna als een theoretisch model van de werkelijkheid. Mijn intentie is dat het je aan iets herinnert, maar je weet niet wat. Daardoor is het veel opener geworden dan in de periode daarvoor, toen figuratieve voorstellingen de richting van je denken bepaalden.”

Maakt u nog steeds van die vormen?

„In de schilderijen gaat het voor een deel door, maar mijn ‘modifications’, gevonden schilderijtjes die ik bewerk, staan dichter bij de periode 60-80. Ook omdat die werkjes van de rommelmarkt altijd figuratief zijn.”

Waarom vindt u het zo leuk om iets van een ander te gebruiken? Bent u de redder van die schilderijtjes?

„Dat is het. Alles moet in onze wegwerpcultuur zo snel mogelijk vervangen worden. Dan is het fijn dat door dit soort hergebruik een ding niet op de vuilnishoop belandt. Van de tachtig schilderijtjes die ik in een middag op een rommelmarkt vind, zijn er misschien drie waarvan ik denk dat de schilder er iets van had kunnen maken als hij een beetje meer van dit of dat had gedaan. En dat doe ik dus. Ik breng een verandering aan die bedoeld is als een verbetering. Ik gebruik de charme van dat onhandige. Als ik zelf zo’n portretje schilder zou het te goed worden.”

Wat kosten ze op de markt?

„Gemiddeld rond de dertig euro. Op de rommelmarkt vind ik ook voorwerpen die ik er op kan monteren. Ik weet niet wat ik zoek als ik daar rondloop, maar soms zie ik iets waarvan ik denk dat ik er wat mee kan. Later in het atelier leg ik alles op de vloer en dan zie ik opeens de combinatie van dat schilderijtje met dat ding. Of hoe ik dat schilderijtje moet bijschilderen. Of hoe ik van een reeks spullen een assemblage kan maken. Het resultaat is altijd een eenheid alsof die er altijd geweest is.”

Als u ze laat zien, hoe zijn dan de reacties?

„In Nederland zijn modificaties een randgebied. Net als assemblages; mensen hechten toch veel meer aan een schilderij. Zo’n modificatie blijft toch rommel. Dat drukt zich ook uit in geld, de prachtige modificaties van Asger Jorn kosten maar een fractie van zijn schilderijen.”

U ziet ze als gelijkwaardig?

„Ja, al werk ik aan schilderijen wel veel langer. Mensen beschouwen ook tekeningen vaak als minder serieus. Ik zie het verschil niet, maar je moet je wat dat betreft richten op wat de mensen willen. Ze vinden het vreemd als je voor een tekening hetzelfde bedrag vraagt als voor een schilderij. Qua uurloon klopt het misschien, maar niet met de creatie. Voor de schilderijen kan ik meer vragen, voor assemblages wat minder en voor de modificaties nog weer wat minder. [Lachend] Dat is al die jaren hetzelfde gebleven!”

Zit er een systeem in wat u van de rommelmarkten meeneemt?

„Op een gegeven moment ontdekte ik een voorkeur voor dingen als bijvoorbeeld een wandelstok. Steun en overeind houden bleek belangrijk. Ik heb dat ook met knopen: niets wat zo simpel iets kan verbergen én kan tonen. En duimstokken en centimeters, waarmee je iets kan controleren. Weegschaaltjes, idem. Ik kwam ook vaak thuis met haken om dingen aan op te kunnen hangen. Het past allemaal bij wat mensen in mijn wereldbeeld zijn: een mislukt product dat hulpmiddelen nodig heeft om te kunnen begrijpen. Ik dacht eerst dat ik die dingen zomaar koos op vorm of kleur. Ik heb het nu opgeschreven in een stuk voor het nieuwe boek.”

Schrijft u veel?

„Ik zou inmiddels een royaal boek kunnen vullen met essays en korte aantekeningen.”

Waarom doet u zoveel moeite om alles op te schrijven?

„Ik schrijf omdat ik me iets afvraag. Er zijn veel kunstenaars die veel schrijven. Bij sommigen bestaat die behoefte.”

Uw teksten zijn moeilijk te volgen.

„Omdat ik niet voor een ander schrijf. Ik heb eigenlijk nooit de bedoeling om het te publiceren. Soms vraagt iemand dat achteraf.”

Is dat met schilderijen anders?

„Daar is het nog veel sterker. Die maak ik in de eerste plaats voor mezelf. Ik zou niet weten voor wie anders. Exposeren is voor mij een noodzakelijk kwaad, want ik moet verkopen. De tentoonstelling en het bezig zijn met het nieuwe boek kosten me heel veel moeite – het deprimeert me. Ik werk het liefst in mijn atelier. Eigenlijk kom ik nooit buiten, één keer per week of zo. Ik wenste vaak dat een meneer elke maand een envelop met geld door de brievenbus gooide.”

Expositie ‘Taal om beeld - Lucassen, Van Alphen, Maet’. Museum Belvédère, Heerenveen, t/m 11 oktober, museumbelvedere.nlT/m 30 september collages van Lucassen, Nouvelles Images, Den Haag, nouvellesimages.nl.Vanaf 13 december is er een overzichtstentoonstelling in Stedelijk Museum Schiedam. Dan verschijnt ook de publicatie ‘Lucassen’ bij Orange House te Edam.