'Ik vertel verhalen met eten'

Eetontwerpster Marije Vogelzang (1978) neemt volgende maand deel aan een tentoonstelling met Dutch design in New York.

Hoe zag uw ouderlijk huis eruit?

„Een rijtjeshuis in Enschede met een typisch jarenzeventiginterieur: plavuizen en een oranje Bruynzeel keuken. In de tuin hadden we een gemetselde barbecue en we gourmetten regelmatig. Mijn vader was automonteur, mijn moeder administratief medewerkster. Vergeleken met studenten met kunstenaarsouders had ik op de academie best een achterstand. Ik moest eerst afrekenen met al die burgerlijkheid uit mijn jeugd.”

Hoe werd u ontwerper?

„Aan het eind van de middelbare school wist ik dat ik dingen wilde maken. Maar in een kunstacademie had ik geen zin. Ook wilde ik ver weg van Enschede. Zo kwam ik in Eindhoven terecht, op wat nu de Design Academy is. Het eerste jaar bakte ik er zo weinig van dat de docenten me wilden wegsturen. Vanaf dat moment deed ik alleen nog dingen waar ik vrolijk van werd. Dat was de sleutel, daarna ging het goed.

„In het derde jaar organiseerde ik een begrafenismaaltijd met uitsluitend wit eten, in veel landen de kleur van de rouw. Dat werd een enorme hit. Ga daarmee door, adviseerde een docent. Maar ik was bang ‘dat meisje van het eten’ te worden en ben op breisels afgestudeerd. Omdat de opdrachten voor eetprojecten bleven binnenstromen, heb ik me daarna alsnog gespecialiseerd tot eetontwerper.”

Wat is het verschil met een kok?

„Ik sta nooit in de keuken, verzin ook geen recepten. Ik bedenk verhalen die ik met eten vertel. Ik verzin hoe het voedsel er uit moet zien, hoe het gegeten moet worden, wat de ervaring moet zijn voor degenen die mijn ontwerp opeten.”

En dat doet u door de eters onderdeel van het ontwerp te maken?

„Ja. In Tokio en in Amsterdam heb ik bijvoorbeeld kerstdiners voor wildvreemden georganiseerd waarbij ik de tafels dekte met een kleed dat tot het plafond doorliep. Om te kunnen eten moesten de gasten hoofd en armen door gaten in het kleed te steken. Dat had een communistisch effect. Je zag geen kleren meer, iedereen was gelijk. Omdat alle deelnemers in hetzelfde schuitje zaten, verbroederde het enorm. Dat effect werd nog versterkt door de opzet van de diners. Aan de ene kant van de tafel lag meloen op de borden, aan de andere kant rauwe ham. Alleen door te delen kregen de deelnemers hun gerechten compleet. Samen zijn en delen, dat is toch wat Kerstmis is?”

Kan een ontwerp geluk brengen?

„Van eten kun je zeker gelukkig worden. Al moeten gerechten niet te veel ontworpen worden. Eenvoudig, troostrijk eten, daar geloof ik in. Als je morgen doodgaat, wat bestel je dan als laatste maaltijd? Eerder de soep van je moeder dan kaviaar, toch? Er is geen materiaal wat zo dichtbij de mens komt als eten. Daarmee sterke herinneringen en emoties oproepen, dat is wat ik doe.”

Hoe zou u uw ontwerpstijl in twee zinnen samenvatten?

„Ik probeer het kind in de mens aan te spreken. En humor, graag.”

Wie is een voorbeeld voor u geweest?

„Lidewij Edelkoort, de directeur van mijn academie. Zij gaf me vaak het juiste commentaar op het juiste moment. Meestal met speldenprikken, soms met een hamerslag. Direct na mijn afstuderen organiseerde ik een groot diner op de academie. Daarvoor had ik een cateringbedrijf ingeschakeld. Dat pakte slecht uit. Toen ontplofte Lidewij. Maak je niet afhankelijk van zo’n suffe cateraar, zei ze, zet zelf een bedrijf op.”

Welke collega’s inspireren u?

„Ik ben een buitenbeentje en daar voel ik me lekker bij. Nee, naar koks kijk ik al helemaal niet. Het zijn kleine, dagelijkse dingen die me inspireren. Een boom. Of hoe de smaak van kraanwater per stad verschilt.”

Van welk ontwerp heeft u spijt?

„Voor een film over vlees eten heb ik als student een kwartel vermoord. En op een tentoonstelling heb ik onlangs een 200 kilo zware knuffelworst opgehangen. Daar mochten bezoekers van eten. Maar ik twijfelde of die worst wel goed was ingedroogd. Toen lag ik ’s nachts wakker: er zal toch niet een bejaarde overlijden na het eten van mijn knuffelworst?”

Wat zou u graag willen ontwerpen?

„Een eetproject in een echt arm land. Het zou een vorm van ontwikkelingshulp kunnen worden, bijvoorbeeld een recycleplan, of een project waarbij bewoners hun eigen eten zaaien. Creativiteit, conceptueel denken, kan ook leiden tot zinvolle ontwerpen. Bij veel hedendaags design denk ik: waar gaat het over? Vormgeving heeft net zo’n ontwikkeling doorgemaakt als plastische chirurgie. Vroeger was dat iets om zieke mensen te genezen. Nu gaat het vooral om het maken van dikke tieten.”