'Ik sta op en ga naar bed met oude muziek'

Xavier Vandamme (37) is de nieuwe directeur van de Organisatie Oude Muziek. „Pioniers als Leonhardt en Brüggen waren niet alleen de eersten, maar ook de besten. Dat is lastig.”

Met de festivaleditie van dit jaar heeft hij inhoudelijk niets te maken. En dus blikt hij er liever ook niet op vooruit: dat zou vreemd zijn tegenover zijn voorganger Jan Van den Bossche, inmiddels directeur van het kleinere festival Musica Antigua in Barcelona. Xavier Vandamme (37), voorheen programmeur oude muziek en artistiek coördinator voor het Brusselse Paleis voor de Schone Kunsten (BOZAR), volgde hem op als leider van de Organisatie Oude Muziek, met het gelijknamige festival als hoofdactiviteit. Hij is nu bezig met de invulling van het festival van 2010. Thema: de Franse barok.

Van Brussel naar Utrecht – u zei meteen ja?

„Natuurlijk, het Festival Oude Muziek is enig in zijn soort; je hebt nog wel andere goede oude muziekfestivals, maar die zijn veel kleinschaliger. Ik was wel bang de culturele input van Brussel te verliezen. Maar eenmaal verhuisd naar de Utrechtse binnenstad zie ik: dit is geen ingeslapen provincieplaats, maar een stad die veel zelfbewuster zou mogen zijn over wat ze te bieden heeft. Niet de koortsachtige dynamiek van Amsterdam, maar een bezadigder profiel: een stad van studie en verdieping. Dat besef begint gelukkig ook door te dringen, in aanloop naar de viering van de Vrede van Utrecht in 2013 en het cultureel hoofdstadschap in 2018.”

In wezen heeft het Festival toch weinig met de stad van doen, anders dan dat het er plaatsvindt?

„Ik was geschokt te ontdekken dat mijn buurvrouw het festival, dat 30 jaar bestaat, niet kent. Je kunt de boom hoog laten groeien, maar hij moet ook wortel schieten. Mijn visioen is dat van een bezette stad; het festival moet Utrecht gedurende tien dagen ‘innemen’, vaandels en al, opdat zoveel mogelijk mensen er weet van hebben. Het openluchtconcert gisteravond – met een park vol blije mensen ondanks het noodweer – is een voorbeeld.”

Hoe combineert u de wens meer Utrechtenaren bij het festival te betrekken met de ambitie het mekka van de oude muziek te zijn?

„Daar denk ik over na. Voor het festival van volgend jaar werken we een idee uit met lokale fanfares die gedurende het festival worden getraind door autoriteiten in Franse barokke blaasmuziek, om vervolgens met die muziek door de stad te trekken.”

Idealistisch.

,,Het Paleis voor de Schone Kunsten in Brussel, waar ik voorheen werkte, begon als bouwval waar 17 organisatoren van concerten, exposities en dans langs elkaar heen werkten. Dat werd één koepelorganisatie, met veel samenwerking als gevolg. Contact zoeken met partners is voor mij een tweede natuur geworden; een van de eerste dingen die ik hier heb gedaan is contact leggen met het Centraal Museum en het Catharijneconvent. Ik geloof oprecht in de meerwaarde van kruisbestuiving.”

Bij het Festival was lang discussie over onderwerpen als het al dan niet toelaten van moderne instrumenten en het oprekken van de term ‘oude muziek’ tot de 19de eeuw. Hoe ziet u dat?

,,Het festival gaat om meer dan een authentieke speelstijl, het gaat ook om de muziek zelf. Er was een tijd dat het festival aparte groepen bediende: de barokkers gingen niet naar renaissancemuziek, enzovoort. Dat is nu minder zo en ik zal ook zoeken naar festivalthema’s die over de eeuwen heen grijpen. Ik zou nooit een festival programmeren met een accent op de negentiende eeuw bijvoorbeeld. Het oudere repertoire blijft hier zeer belangrijk.”

U bent artistiek én zakelijk directeur. Rest er genoeg tijd voor een adelaarsvisie op de stand van zaken in de oude muziek?

,,Contact met de politiek en zakelijke afwegingen kosten tijd, maar ik werk hier niet alleen. En uiteindelijk is de inhoud de kernreactor die alle energie moet opwekken. Dáár ligt ook mijn passie. Ik sta op en ga naar bed met oude muziek.

„Voor de pioniers uit de jaren zestig was het herontdekken van repertoire een daad van verzet tegen de gevestigde orde. Nu die generatie zelf gevestigde orde is geworden, moet er een ander soort creativiteit komen. Dat is lastig, want de pioniers waren de eersten én de besten. In Nederland ontbreekt een tussengeneratie, omdat mensen als Frans Brüggen, Ton Koopman en Gustav Leonhardt met reden zoveel plaats hebben ingenomen. Maar je ziet wel dat veel musici in de oude muziek een nieuw soort ongedwongen speelplezier uitdragen. Dat werkt zeer goed. Mits je óók vragen blijft stellen over wat je hoort en waarom. Discussiëren met vakgenoten. Visies ontwikkelen. Het Festival moet daar podium voor zijn, want er is wel degelijk veel jong talent.”