Generatie '89, twintig jaar later

Drie kunstenaars uit Oost-Europa kijken terug op het jaar 1989, dat radicaal een einde aan hun jeugd maakte. ‘De revolutie was de tijd dat we onze onschuld verloren.’

Michael Fischer-Art Werd geboren als Michael Fischer en koos als tiener het toevoegsel Art, afkorting van Lebensart. Liet zijn achternaam juridisch beschermen. Werd beroemd met talloze kunstwerken in de publieke ruimte. Schildert ook portretten in opdracht en tekent door archeologen opgegraven voorwerpen uit de oudheid. Werkt voor de dalai lama aan een boek over Europa en Tibet. 2009.08.15 / Leipzig / Sachsen / Fischer-Art / Gemaelde / 9.Oktober 1989 Der Leipziger Pop-Art Kuenstler Michael Fischer-Art (40) schuf in der Stadt der friedlichen Revolution Leipzig in der Innenstadt am Bruehl ein ueberdimensionales Wandbild ( 600 m2 ) mit dem Titel : 9.Oktober 1989 _ Das bunte Kunstwerk unweit des Leipziger Hbf ist schon jetzt DAS Fotomotiv fuer die Leipzigtouristen und Buerger der Stadt. Michael Fischer-Art : Wandbild 09.Oktober 1989 Infos zum Kuenstler : www.fischer-art.de Copyright by : 2009_ SEYBOLDTPRESS Karl-Liebknecht-Strasse 1 _ D - 04107 Leipzig / Germany Fon: +49 -341 2535088 , mobil: +49 - 163 2091 389 email: info@seyboldtpress.de _ www.seyboldtpress.de SEYBOLDTPRESS

Poolse Piotr, Duitse Michael en Roemeense Radu delen een ingrijpende ervaring. Ze werden net volwassen, toen twintig jaar geleden hun wereld opnieuw werd ingericht.

Laten we ze Generatie ’89 noemen: Oost-Europeanen die eind jaren zestig werden geboren, toen de communistische dictaturen nog stevig in het zadel zaten. Een generatie die werd opgevoed tot ware socialistische burgers met een groot hart voor het collectief.

Net toen deze generatie de sprong wilde maken van school naar het echte leven, verdween de wereld die hun ouders op de puinhopen van de Tweede Wereldoorlog hadden opgebouwd. De eenpartijstaat maakte plaats voor parlementaire democratie, de geleide planeconomie voor de vrije markt. Het leven werd verrijkt met persvrijheid, tropisch fruit en wasmachines.

Generatie ’89 is de eerste generatie die het nieuwe Oost-Europa vorm mocht geven, zonder daarbij gehinderd te worden door persoonlijke loyaliteit aan de oude orde. De val van de Muur deelt hun leven nu exact in tweeën. Ze leefden twintig jaar in het communisme en twintig jaar in de nieuwe wereld.

De Pool Piotr groeide uit tot een internationaal vermaard beeldend kunstenaar. Duitser Michael legde zich toe op kleurrijke schilderkunst. Radu, de Roemeen, werd filmregisseur.

Op enig moment in hun carrière voelden ze alle drie de drang om ’89 te verwerken in hun kunst. Ze houden hun landgenoten een gebarsten spiegel voor.

In Warschau was Piotr Uklanski (1968) in het Europese revolutiejaar eerstejaars student op de kunstacademie. Als groentje zag hij hoe ouderejaars een actiegroep oprichtten en de academie dwongen buitenlandse kunstenaars in dienst te nemen.

In Leipzig leefde Michael Fischer-Art (1969) voor de politiek. Hij schilderde in oktober ’89 de spandoeken voor de wekelijkse demonstraties tegen het regime van Erich Honecker. Op 9 oktober trokken 70.000 mensen door Leipzig, de opmaat tot de val van de Muur. Later zou een museum de spandoeken kopen. Achttien doeken, voor 1.800 mark per stuk. Hij vloog van het geld onmiddellijk naar Parijs.

In Boekarest stond Radu Muntean (1971) in het najaar van ’89 als dienstplichtig soldaat op wacht in de provincieplaats Bacau. Hij bewaakte mogelijke doelen van aanslagen: overheidsgebouwen, radiozenders, energiecentrales. Zijn superieuren gaven hem liever geen wapen. Radu had weinig militaire training gehad.

Mensen boos. Muur valt. Communisme weg. Hoera! De kortste versie van het verhaal van 1989 is de romantische variant.

De werkelijkheid was gecompliceerder. Elk land kreeg zijn eigen omwenteling. In Polen begon de erosie van het communisme al met de opkomst van de verboden vakbond Solidariteit eind jaren zeventig. In Oost-Duitsland kwam het verzet tegen het socialisme pas eind jaren tachtig tot een kookpunt. In Polen en Duitsland verliep de omwenteling vreedzaam. In Roemenië ging de machtswisseling gepaard met geweld. Het ene socialistische land beïnvloedde het andere. De toon werd gezet door de Polen, die al in de zomermaanden een democratisch gekozen president in het zadel hielpen. De Oost-Duitsers beleefden hun finest hour op 9 november, toen de grensovergangen tussen Oost- en West-Berlijn werden geopend. Het jaar eindigde met onlusten in Roemenië. Polen, Duitsland, Roemenië. Een hink-stap-sprong door de herinnering aan ’89.

Piotr Uklanski is een boom van een vent. Het lange vlasblonde haar heeft hij strak achterovergekamd, het witte overhemd hangt ver open. Hij wordt wel de ‘Poolse Prins’ genoemd.

Uklanski woont sinds 1991 in New York en groeide er uit tot een ster. Exposities op Manhattan, in Londen, Venetië, Bern.

Uklanski speelt graag met de Poolse nationale symbolen. De wit-rode vlag. De bozige adelaar. De Poolse Paus, Karol Wojtyla. Wat fascineert hem na bijna twintig jaar VS nog aan de Poolse iconen?

„Ik was op zoek naar een controversieel onderwerp”, vertelt hij tijdens een zwoele zomernacht op een hip terras in Warschau. „Dat was niet eenvoudig. Nationale kunst, of nationalistische kunst is een taboe. Dat doe je eigenlijk niet. Je hoort internationaal te zijn, niet nationaal.”

Dus veranderde hij de Poolse symbolen in pompeuze kunstwerken. De adelaar werd een immens beest. De vlag bootste hij na in glinsterend glas, de grootste glasplaten die verkrijgbaar waren.

Uklanski ging ook aan de slag met hét Poolse symbool van de omwenteling: het wereldberoemde vignet van Solidariteit, de vakbond die onder aanvoering van de latere president Lech Walesa een cruciale rol speelde in de ontmanteling van het communisme. Op de scheepswerf van Gdansk, bakermat van Solidariteit, liet hij drieduizend soldaten, gehuld in rode en witte T-shirts, het bekende beeldmerk uitbeelden.

„De werf is alleen nog maar symboliek. Er wordt nauwelijks gewerkt, het terrein is verkommerd, men wil er woningen bouwen met uitzicht op het water. Het is een treurig monument. Ik wilde de magie ervan bewaren. Daarom trommelde ik de soldaten op. Soldaten die jaren geleden de opstandige havenwerkers in bedwang moesten houden. Nu voegden de soldaten zich bij Solidariteit.”

De reacties liepen nogal uiteen. De soldaten zei het niets. Hun officieren waren trots en vonden het belangrijk om een ode te brengen aan de bond. De kunstkenner zag in de absurde omvang een kritiek op traditionele nationalistische kunst.

Veel politici zagen het werk als zuiver patriottisme en proberen Uklanski sindsdien te strikken voor overheidsopdrachten. Hij grijnst. „Er is niets mooier dan een flink misverstand.”

Voor Uklanski was het kunstwerk niet alleen een ode aan de werf, maar ook een poging het beeldmerk te redden. „Polen zijn trots op dat symbool, maar politici proberen er nog steeds munt uit te slaan. Politieke groeperingen opereren onder aan Solidariteit verwante namen en opperen maffe ideeën. Zo hollen ze de symbolische waarde uit. Symbolen zouden eigenlijk in het museum moeten blijven.”

Er zijn niet veel Poolse kunstwerken die ’89 direct tot thema hebben. De Polen weten niet zo goed wat ze wanneer moet herdenken.

Uklanski buigt zich samenzweerderig over tafel: „We zijn verneukt. We hebben geen datum! We hebben 13 december 1981, de dag waarop de eerste opstand van Solidariteit met een staat van beleg werd gesmoord. Maar we hebben niet één dag voor de overwinning. De victorie kwam in stappen. De legalisering van Solidariteit, de eerste vrije verkiezingen, de dag dat de uitslag bekend werd. We hebben geen Muur die op één avond viel.”

Er is nóg een reden dat ’89 slechts sporadisch opduikt in Poolse galeries. In de eerste tien jaar na de omwenteling was het voor kunstenaars not done om lastige vragen te stellen, over Pools antisemitisme, bijvoorbeeld.

„De Poolse cultuur is niet analytisch. Er werden geen vragen gesteld. Cultuur moest bevestigend zijn. Het grote publiek was niet van mening dat kunst de status quo tegen het licht moest houden. Kunst moet bevestigen dat we een groot volk zijn, dat we niets misdaan hebben, dat we alleen maar geleden hebben.”

Controversiële moderne kunst werd verketterd. En vernield. Een van Uklanski’s beroemdste kunstwerken is ‘The Nazi’s’, 164 afbeeldingen van nazi-officieren uit speelfilms. Toen de foto’s in 2000 in Warschau tentoongesteld werden, vernielde een van de afgebeelde acteurs, een Pool, ze met een sabel. Hij vond dat zijn goede naam te grabbel was gegooid. Inmiddels, taxeert Uklanski, is het klimaat in Polen liberaler geworden en mogen kunstenaars wel in open zenuwen prikken. Alleen de paus is nog heilig.

Toch krijgt Polen nog een kunstwerk over ’89. Uklanski werd benaderd door het Poolse consulaat in New York. „Ze zeiden: we moeten iets doen. We moeten laten zien dat wij in 1989 de eersten waren, eerder dan de Duitsers!”

Uklanski schatert het uit. Dat geloof je toch niet? We moeten vieren dat wij de eersten waren en zij niet! Over een ambitieuze cultuur gesproken die naar bevestiging zoekt!”

Het consulaat wilde het groots aanpakken en het eigen gebouw aan Madison Avenue verpakken in enorme doeken met de tekst ‘We were first!’ Het stadsbestuur stak daar echter een stokje voor omdat het project niet als kunst werd gezien, maar als reclame en dat mocht op die plek niet. Uklanski heeft het idee gekaapt. In oktober, tijdens de jaarlijkse parade van Poolse immigranten in New York, de Pulaski Day Parade, zal Uklanski meerijden met een wagen met daarop in grote letters de gewraakte tekst.

Als tiener doolde Michael Fischer-Art vaak alleen door de stad. Wat hij zag, stemde hem somber. Leipzig was grauw. Alles ging schuil onder kolengruis. De gevels waren aangevreten door salpeterzuur. „Ik dacht: je moet een brandweerauto stelen, die volpompen met verf, door de straten rijden en de gevels besproeien.”

Na de val van de Muur kocht Fischer-Art verf met tonnen tegelijk en Leipzig zou het weten. Op een aantal openbare gebouwen mocht hij zijn kleurrijke handtekening zetten. Leipzig is mijn openluchtmuseum, zegt hij.

Op een bewolkte ochtend in augustus danst hij over een bouwsteiger van twaalf verdiepingen in hartje stad. Op een blinde gevel ontstaat zijn terugblik op ’89. Hij schreeuwt commando’s naar assistenten. Trekt uit de losse pols lijntjes met een stift. Snelt de laddertjes af, kwast in de ene, verfpot in de andere hand, om op de grond, van een afstand, de compositie te beoordelen.

Fischer-Art heeft haast. Het najaar met al die historische Duitse data staat voor de deur en zijn werk is niet bescheiden. Een glorieuze schildering moet het worden voor een grote gebeurtenis. Drieduizend vierkante meter. Drie ton verf. Zes maanden werk.

Het is een drieluik. Links zijn de demonstraties in Leipzig vereeuwigd. Felgekleurde stripfiguren met dikke lippen en opengesperde ogen dragen spandoeken met de bekende leus. ‘Wir sind das Volk.’ En: ‘Visafrei bis Hawaii’. (Wie in de DDR West-Duitse televisie kon ontvangen, keek in de jaren tachtig elke dinsdagavond naar de tv-serie Magnum, die op Hawaii speelde.) In het midden zweeft een grote blauwe luchtballon, een eerbetoon aan de heroïsche pogingen van DDR-burgers om de dictatuur te ontvluchten. Rechts staat de Muur. Donkergrijs uiteraard. In het Westen schijnt de zon, in het Oosten openen olijke grenswachten het vuur op de eigen bevolking.

Het werk van Fischer-Art is figuratief en kleurrijk, kunst die iedereen begrijpt. Op deze augustusdag houden tientallen passanten halt bij de steiger om foto’s te maken. Ook meldden zich al spontaan demonstranten van destijds. Om een middagje te schilderen, of om foto’s van ’89 te laten zien en herinneringen op te halen.

Niet iedereen in Leipzig is in zijn sas met de kleurexplosie. Kunstminnaars vinden het werk te commercieel, te populistisch. Fischer-Art kent de kritiek, noemt haar flauw en dom. „Waar staat geschreven dat kunst elitair moet zijn en in het museum thuishoort?”

De schilder is van de steiger geklauterd voor koffie op een terras van Starbucks. We hebben er uitzicht op ‘zijn’ muur. Hij draagt zwart. Zwart hemd, zwarte broek, zwarte Allstars. En een Rolex met donker wijzerblad. Hij praat zoals hij schildert: snel, kleurrijk, met weinig nuances.

Hij noemt zijn kunst ‘vrije markt realisme’, een reactie op het ‘socialistisch realisme’, de staatskunst van het Oostblok. „Vroeger schilderde men de arbeider, hard aan het werk, in een bijna fotorealistische stijl. Walgelijk. Ik wilde dat op de spits drijven. Ik verving de arbeiders door stripfiguren, maakte veel gebruik van kleur en bracht de kunst naar de publieke ruimte.

Linkse politici, die maar geen afscheid kunnen nemen van de DDR vinden dat Fischer-Art hun verleden bezoedeld en zijn een handtekeningenactie gestart. Het steekt hem dat lokale politici tegenwoordig koketteren met het feit dat ze in de DDR voor de geheime dienst hebben gewerkt. Zelf was hij al jong actief tegen het regime. In 1988 werd hij bij een demonstratie opgepakt. Tijdens het verhoor brak de geheime dienst zijn rechterhand. „Ik merk het nu nog als het weer omslaat. Ik word dan opnieuw woedend. Het is mijn verfhand, ja!”

Fischer-Art schetst een treurig beeld van oostelijk Duitsland. Geen werk. Geen geld. Geen perspectief.

Zelf mocht hij zijn dromen na ’89 wel verwezenlijken. In de DDR werd hij opgeleid tot metselaar, ziekenbroeder en huisschilder. In het nieuwe Duitsland ging hij naar de kunstacademie. In steden en dorpen mocht hij met bouwprojecten letterlijk proberen de grauwsluier te verdrijven. En hij kon op reis. Vorig jaar was hij zes weken met de Amerikaanse archeoloog Richard Hadden in Guatemala om Maya-ruïnes uit te graven.

„Na de val van de Muur wilde ik vooral weten: hoe groot is de wereld eigenlijk? Het blijft fantastisch dat ik als voormalige DDR-burger naar alle uithoeken kan vliegen. Dat ik, jongen uit Leipzig, mag afdalen in een piramide en daar de handafdruk kan aanraken die een kleine Indiaan er 2.000 jaar geleden heeft achter gelaten.”

De dood komt al snel en heel onverwachts. Uit pantservoertuig 18-34 klimmen leden van de militie. Een nieuwe dag breekt aan. Ze staan bij een wegversperring. Ze dollen wat met elkaar, genieten van een sigaret. Totdat in de verte een soldaat op een tank klimt.

Radu Muntean heeft een sobere, minimalistische stijl en een kijk op het leven die weinig ruimte laat voor opsmuk. Zo is zijn film over ’89: ‘The Paper will be blue’. Zo zijn ook de reclamefilmpjes waarmee hij zijn geld verdiend.

De kleine gedrongen filmregisseur werd in eigen land wereldberoemd met een commercial voor Roemeense cognac van matige kwaliteit. Een stratenmaker elektrocuteert zichzelf. Zijn collega’s zoeken hem op in het ziekenhuis. Ze steken de draak met zijn verwondingen en drinken stiekem brandy van Unirea.

Het minimalisme van het filmpje, vertelt Muntean in grand café Galleron in Boekarest, past goed bij zijn eigen karakter en bij de bescheiden budgetten voor commercials in Roemenië. Het cynisme in het filmpje is, zegt hij, typisch Roemeens.

Na het communisme werd het Oostblok overspoeld met producten en diensten op zoek naar een nieuw publiek. Muntean bouwde een carrière rond die producten. Hij draaide ruim vijfhonderd commercials. Voor Maggi. Voor ING. Hij moest wel. Toen hij van de filmacademie kwam was er voor debutanten geen plek. In Roemenië werden twee films per jaar gedraaid, de subsidies gingen naar gevestigde namen. Pas tien jaar na zijn afstuderen kreeg ook Muntean subsidie.

Hij wilde al langer een persoonlijke film maken: over zijn eigen ervaringen in december ’89, zijn herinneringen en emoties. Het werd een prachtige, aangrijpende film. Heel weinig kleur. Geen special effects. Nul glamour. Het werd een verwarrende film over een verwarrende nacht.

„Roemeense verhalen over de revolutie vertellen alleen de politieke geschiedenis en dan ook nog op een sensatiebeluste manier. Het irriteerde me dat na al die jaren nog niemand het verhaal van het gewone volk had verteld. Het verhaal van mensen die erbij waren, mensen zoals ik.”

Roemenië beleefde in ’89 weliswaar een omwenteling, maar slechts een halve revolutie. In de week voor Kerst ontlaadde zich de woede van de bevolking over het dictatoriale regime van Nicolae Ceausescu, die al sinds 1967 aan de macht was, zich liet bewieroken en zijn volk uitkneep. De opstand begon op 16 december in provincieplaats Timisoara en sloeg daarna over naar Boekarest. De dictator werd op 25 december samen met zijn vrouw Elena geëxecuteerd. Een van de communistische bestuurders die eerder bij Ceausescu in onmin was gevallen, Ion Iliescu, nam de macht over.

Tussen het begin van de opstand en de machtsovername vloeide bloed. Geheime dienst en leger vuurden op demonstranten. Legereenheden raakten onderling slaags. Een deel van de legertop verspreidde het gerucht dat er ‘terroristen’ in het land zouden zijn. Zo hoopten ze het leger volledig aan de kant van de coupplegers te krijgen.

„Ik stond op wacht in de provincie, maar ik wilde erop uit. Ik voelde de energie en ik wilde vechten tegen die terroristen. Ik wilde naar Boekarest. Het was een klap in het gezicht toen bleek dat de terroristen er helemaal niet waren. Het was één grote leugen. Ik was boos omdat mijn gevoelens sterk en oprecht waren. Dat gevoel wilde ik weergeven in een bitterzoete film.”

‘The Paper will be blue’ speelt zich af in de nacht van 23 december. Pantservoertuig 18-34 patrouilleert door de donkere straten van de Roemeense hoofdstad. De mannen hebben geen idee wat ze moeten doen. Het gerucht gaat dat het leger de kant van de opstandelingen heeft gekozen. De berichten op de radio zijn onduidelijk. Een jonge soldaat loopt over naar de revolutionairen en raakt verzeild in een onoverzichtelijke stadsoorlog, waarin alleen geluk lijkt te beslissen over leven en dood. De film verwijst naar waar gebeurde incidenten. De mannen in de openingsscène kwamen in werkelijkheid om het leven omdat er verwarring was over wachtwoorden. ‘The Paper will be blue’ was zo’n omstreden code. In ’89 lagen de lichamen van de militieleden vijf dagen op straat. De jongens werden als vermeende verraders bespuugd.

„Verwarring was hét kenmerk van die nacht. Er was geen gezag meer. Je wist niet wie je vriend was, wie je vijand. De enige vijand was de vijand in onszelf. Al die jaren van frustratie, van terreur, van communisme hebben ons veranderd. De revolutie bracht niet alleen het goede in ons boven, maar ook al het slechte dat diep in ons begraven ligt. Jaloezie. Eigenbelang. Iedereen probeerde beter te worden van de revolutie. Als het moest ging men daarbij over lijken.”

De film kreeg juist vanwege die verwarring veel kritiek. Muntean: „Het publiek was teleurgesteld omdat de film geen duidelijkheid schepte in een duistere historische episode. De film geeft geen antwoorden omdat we niet precies weten wat er is gebeurd. Ik denk dat de verwarring van die dagen georganiseerd was. Verwarring leidt tot de roep om een sterke man. Maar ik kan geen conclusies trekken, want ik ken de feiten niet.”

De jongens in panstervoertuig 18-34 waren leeftijdgenoten van Muntean, de generatie die in ’89 net volwassen werd. „De revolutie was de tijd dat we onze onschuld verloren. We werden volwassen op een ruwe, gewelddadige manier.”

Er is in het centraal station van Warschau een kleine expositie over ’89. Oude foto’s op bordkarton. Het oogt gammel en provinciaals. In Leipzig liggen de boekhandels vol met herinneringsboeken, Leipzig en Berlijn maken zich op voor een feestelijk najaar. In de universiteitsboekhandel in Boekarest verkoopt men alles, maar geen boeken over ’89. Een verkoopster: „Wilt u echt een boek over onze revolutie?” De omwenteling wordt in de binnenstad herdacht met een lelijke pyloon van wit marmer. De spreuk is niet meer helemaal leesbaar. Er ontbreken letters.

Tijdlijn, kaarten en foto´s uit 1989: zie nrc.nl/1989