Een keuze voor verandering

Morgen gaat Japan naar de stembus. Het ziet er naar uit dat voor het eerst sinds de Tweede Wereldoorlog de oppositie een forse overwinning zal behalen.

Shoza Ishikawa (81) nipt aan zijn glaasje sake en zegt dan bedachtzaam: „Ik wil geen verandering. We hebben een land waarin iedereen gelijk is, de welvaart is eerlijk verdeeld.” Shoza, grijs borstelkapsel en wit hemd, weet het zeker: hij stemt morgen op de Liberale Democratische Partij, de partij die Japan welvarend maakte. En veilig „door zijn trouw aan de Amerikanen”.

De familie Ishikawa woont in Hasuda, een plaats met zestigduizend inwoners in de prefectuur Saitama. Een typisch forenzenstadje tussen de rijstvelden op een uur reizen van Tokio, met rustige wijken, verlaten kruispunten en elektriciteitsmasten. Volgens goed Japans gebruik wonen drie generaties Ishikawa onder één dak, in een vrijstaande woning. De familie zit aan tafel voor het avondeten: er is sushi en gobou, gefrituurde wortel, ingepakt in speklapjes. Het gesprek gaat over de verkiezingen die, als de peilingen kloppen, morgen een grote omwenteling zullen brengen.

Hideo Ishikawa (54), zoon van Shoza, werkt bij de gemeente. Ook hij weet al wat hij gaat stemmen: hij wil verandering en kiest dus voor de Democratische Partij van Japan. „Japan moet losser van de VS komen, moet een volwaardiger partner worden.” Japan, zegt Hideo, is ook te veel een vechtsamenleving geworden, met grotere verschillen tussen hogere en lagere klassen. „We zijn altijd één grote middenklasse geweest.”

Zijn dochters, de 27-jarige IT’er Mayuko en de 21-jarige studente Sachiko, vinden dat de verandering die de oppositie belooft een kans moet hebben, maar ze twijfelen nog. Moeder Yuki kiest voor de communisten of sociaal-democraten, omdat die principieel voor handhaving van artikel 9 van de grondwet zijn, waarin staat dat Japan als soevereine staat afziet van geweld om internationale conflicten te beslechten. „Het land moet pacifistisch blijven”, vindt ze. „Of Kim Jong-il van Noord-Korea nu wel een kernbom maakt of niet.”

Japan maakt zich op voor de spannendste verkiezingen sinds de Tweede Wereldoorlog. Na meer dan een halve eeuw (met een korte onderbreking in 1993) lijkt er morgen een einde te komen aan de alleenheerschappij van de Liberaal Democratische Partij (LDP). De éénpartijstaat bracht na de oorlog welvaart. Maar ook corruptie, achterkamertjespolitiek en voor miljarden aan nutteloze investeringen in bruggen en wegen om het bedrijfsleven te paaien. Japan wil afrekenen met de symbiose tussen de conservatieve LDP, de machtige bureaucratie in Tokio en het bedrijfsleven. Japan wil ‘verandering’, zoals de leus van oppositieleider Yukio Hatoyama luidt.

Het is een paradox voor een land dat een web van tradities om zichzelf heeft gesponnen. „Dit is een revolutie, de eerste keer na de Tweede Wereldoorlog dat zich zo’n verandering voordoet”, zegt Takao Toshikawa, gezaghebbend politiek analist in een café in Tokio. Hij vergelijkt de situatie zelfs met de Meiji-restauratie uit 1868, toen Japan na de komst van Amerikaanse oorlogsschepen eeuwen van zelfgekozen isolement opgaf. Maar er is ook een verschil: nu kiest Japan zelf voor de verandering, uit onvrede over twee decennia van economische neergang en zwak leiderschap.

„Dit land mist zelfvertrouwen”, zegt Toshikawa. „De mensen zijn ontevreden over de economie, over de politiek, over de corruptie. Maar ik proef ook angst voor een revolutie. Niemand heeft daar ervaring mee. Van de driehonderd DPJ-kandidaten hebben er slechts vier regeringservaring.”

Een keuze voor de DPJ is vooral een keuze tegen het systeem. Hatoyama wil de machtige bureaucraten aanpakken. Hij wil een einde maken aan de ‘amakudari’, ambtenaren die ‘uit de hemel’ naar bedrijven worden gezonden, waar hun na pensionering een mooi baantje wacht.

„Japan is geen democratie, 80 procent van de wetgeving komt van bureaucraten. De politici werken niet, maar volgen elkaar alleen maar op”, zegt Hiroko Ohizumi. Zij is in kiesdistrict 6 van de prefectuur Ibaraki kandidaat voor de DPJ. Een zelfbewuste vrouw van 59 met een vlot, kort, enigszins grijzend kapsel. Eigenlijk is ze zelf ook zo’n bureaucraat. Ze werkte dertig jaar in Tokio als specialist op het gebied van kinderzorg. Nu rijdt ze met een geluidswagen door het slaperige Tsuchiura waar ze bij het postkantoor zo’n dertig kiezers toespreekt, meest bejaarde dames met hoedjes tegen de zon.

We willen betere pensioenen voor een land dat het meest vergrijst van de hele wereld, zegt Ohizumi. En een verhoging van de kinderbijslag om het extreem lage kindertal op te krikken. Maar, vertelt ze onderweg in de auto, ze beseft dat de weg naar de verandering taai zal zijn. „Japanners zijn nu eenmaal conservatief”.

Haar tegenstander, LDP-parlementariër Yuya Niwa, weet niet wat verliezen is. Al tien keer triomfeerde hij bij verkiezingen. Maar nu heeft hij een onbestemd gevoel. „Ik vecht tegen een onzichtbare wind die me hard in het gezicht blaast.” Niwa, in de jaren negentig minister van Gezondheidszorg en Welzijn, oogt gespannen. „Mensen hebben het gevoel dat Japan vastzit. Maar bij de oppositie zullen ze bedrogen uitkomen.”

De DPJ, opgericht in 1998, is sinds 2007 de grootste partij in het Hogerhuis. Voor het eerst kreeg Japan zo een serieuze oppositie met vertrouwen bij veel kiezers. De 62-jarige partijleider Yukio Hatoyama wil een ander, socialer Japan, een maatschappij die gebaseerd is op yuai, broederschap. Hatoyama keert zich tegen het „Amerikaanse marktfundamentalisme”, en wil het land beschermen tegen de gevolgen van de globalisering. Hij richt zijn pijlen vooral op de hervormingen van Junichiro Koizumi, de mediagenieke premier met zijn wapperende grijze manen, die tussen 2001 en 2006 inzette op privatiseringen en het verbod op tijdelijk werk in de industrie schrapte. De ongelijkheid is toegenomen, zeggen critici. Japan, waar 80 procent van de mensen zich tot de middenklasse rekent, kon Koizumi’s veranderingen niet aan.

Hatoyama kiest een andere richting. Hij wil het land onafhankelijker maken van de VS en opschuiven naar China en Zuid-Korea. Hij beseft dat Japan ‘kleiner’ wordt. Door de vergrijzing zal de bevolking krimpen van 120 miljoen nu naar 100 miljoen in 2050. Bovendien zal China Japan voorbijstreven als tweede economie ter wereld. „We zijn geen topland meer”, zegt DPJ-kandidaat Ohizumi. „China, Rusland, India en Brazilië zullen ons uiteindelijk verslaan. Wat wij nodig hebben, zijn kinderen om onze cultuur voort te zetten. Dat is genoeg.”

Japan moet naar de toekomst kijken, luidt de boodschap van de DPJ. Maar bij de Yasukuni-tempel, in het centrum van Tokio, is dat niet vanzelfsprekend. Alleen krekels verstoren de stilte, de hectiek van de metropool heeft hier geen vat op het verleden. In de tempel worden 2,5 miljoen Japanners herdacht die bij oorlogen zijn omgekomen, inclusief veertien oorlogsmisdadigers uit de Tweede Wereldoorlog. In het museum staat een duikboot die was bedoeld voor kamikazeacties. De museumwinkel doet goede zaken met zwaarden, boeken over het Japanse leger en bouwdozen van de Yamato, het grootste slagschip ooit, dat in 1945 tot zinken werd gebracht.

Yasukuni is een open zenuw in de betrekkingen met China en Zuid-Korea. De meeste Japanse premiers riepen woede over zich af door een bezoek aan de tempel. Hatoyama heeft gezegd dat hij er niet zal komen.

Voor de tempel maakt Najima Toshimitsu (32), korte broek en baseballpet, een diepe buiging. ,,Mijn grootvader is in de oorlog bij de marine gesneuveld”, zegt hij. „Ik begrijp de gevoeligheid wel. Maar dit is onze geschiedenis, mijn geschiedenis.”