Doe de eskimorol

Op een kajaktocht in Nationaal Park Oosterschelde kun je zeehonden zien, zeekraal plukken en je peddelspieren voelen.

De moderne mens moet het altijd maar afleggen tegen de nobele wilde. Dat was al zo in die eskimo-ophemelende jarentwintigdocumentaire Nanoek van het Noorden. En laatst was er op tv weer zo één, maar dan in kleur. In één scène is de moderne Nanoek ergens bij Groenland met zijn hondenslee op jacht. Tijdens zijn pauze kijkt hij omhoog de poollucht in waar een verkeersvliegtuig van Europa naar Japan koerst. Nanoek II knippert wat met zijn ogen tegen het felle licht en snijdt met zijn bijltje nog een strip vlees van het net geschoten sneeuwhoen.

De westerse mens is het contact met zijn wortels kwijtgeraakt, bedoelde de documentairemaker waarschijnlijk symbolisch te zeggen. Maar eskimo’s kunnen dan wel honderd woorden voor ‘sneeuw’ hebben, ze hebben er niet één voor ‘straalmotor’, ‘rolkoffer’ of ‘gin-tonic’. Ik bedoel: Nanoek van het Zuiden mag dan wel water kunnen koken in een kunstig gekruld bananenblad, maar uiteindelijk doet hij dat toch waarschijnlijk liever in een aluminium pan.

Toch zijn sommige ‘primitieve’ ontwerpen door geen team hedendaagse industriële ontwerpers te verbeteren. En de kajak is daar één van. „Alle technieken van het hele kajakgebeuren zijn afkomstig van de eskimo’s, of Inuit, zoals ze eigenlijk heten.” Kajakinstructeur Guido Krijger is oprichter van het Zeeuwse bedrijf Outdoor Inspiration, dat fysiek uitdagende cursussen in teambuilding organiseert.

De pezig uitgevoerde Krijger is ook berggids in Noorwegen en Italië. In de winter. Besneeuwde bergtoppen zijn precies het omgekeerde van het zinderende Noord-Bevelandse strand, waar we zojuist een handjevol zeekajaks dwars door de menigte bakkende lijven naar de eblijn hebben gesleept.

Net als vliegreizen begint een kajaktocht met een veiligheidsinstructie. Een zwemvest en een wetsuit zijn verplicht. „De watertemperatuur is goed, maar als je omgaat en je drijft weg, dan raak je zo onderkoeld. En niet te dicht bij elkaar varen, want dat vergroot de kans op omslaan. Als je toch omgaat, kun je je recht eskimoteren.” Pardon, eskimoteren? „Met een peddelbeweging weer rechtop komen.” Juist.

Het pandemonium van schreeuwende badgasten en overscherende vliegers is al na vijf minuutjes peddelen verwisseld voor de zilte stilte van de zeearm. In de verte sputtert een oesterschuit, maar de enige andere geluiden zijn het gorgelen van het tij langs een hellende boei en een wauwelende wolk ganzen die van de schorren opstijgt. Nanoek van de Oosterschelde.

„Iedereen kent de Wadden”, zegt Krijger, „maar wat dit Nationaal Park Oosterschelde heeft te bieden, is stukken minder bekend. Soms komen we bruinvissen tegen en zeehonden zie je hier ook steeds vaker.” Een kiekendief vliegt een stukje om, zodat hij de losse formatie kajaks kan bekijken.

De directie van het Nationaal Park zal het wel niet goed vinden wanneer de kajak wordt gebruikt waarvoor deze is ontworpen: met een harpoen zeehonden en bruinvissen spietsen – die zich overigens niet laten zien. Maar tegen het uitgooien van een makrelenlijntje bestaat vast geen bezwaar.

We peddelen richting Colijnsplaat, koersend op de grote toren van Zierikzee. Met de stroom mee, maar dat betekent niet dat dit geen energie kost. De kajak wiebelt en zwalkt nogal door de zijwind, de golven en de onervaren peddelslag. Ruggesteun ontbreekt ook. Ophopend melkzuur wijst snel aan waar in de anatomie de belangrijkste kajakspieren liggen: in de bovenbenen en in de onderarmen. Je kunt geen moment niét peddelen.

Krijger loodst ons na een klein uurtje hard werken een modderige inham in. Tussen stukken riet en net ondergelopen slijk staat echte zeekraal. Het zal inbeelding zijn, maar deze smaakt duizend keer beter dan de supermarktzeekraal uit Mexicaanse kwekerijen. Na een kleine wandeling op de kant om het melkzuur weg te strekken, stappen we weer in. Krijger: „Het tij kentert, dus hebben we straks de stroming weer mee.”

Naast de kajak vertonen zich jagende zeebaarzen. Ze maken met hun staarten net zulke krachtige kolken als de peddel. Eentje springt zelfs een meter hoog. Maar de haken van het makrelenlijntje blijven helaas leeg.

Hij zat er aan te komen: de eskimorol. Ik mag hem oefenen aan een stil strandje onderaan een dijk, op een kwartiertje peddelen vanaf het startpunt en, iets belangrijker, op een staande diepte van schouderhoogte. Eerst maar eens dompelen zonder peddel. Krijger staat naast de kajak: „Klem je vast in de kajak, strek allebei je handen naar links en leg je oor maar op het water.” Plons. Daar hang je dan ondersteboven, onder water. Ik wurm me uit de boot en ga staan. Kramp! Het is wel mooi geweest met die eskimotering.

De avondzon staat al achter de Oosterscheldekering als we de kajaks het strandje opslepen. De volgende ochtend schieten honderd woorden te binnen voor ‘spierpijn’ – die niet allemaal de ballotage van de Bond tegen het Vloeken zouden passeren.