DNA-drama in een oorlogsgraf

Eeuwige rust. Het is de driehonderd Britse en Australische soldaten die juli 1916 bij het Noord-Franse Fromelles stierven nog niet gegund. Eerst werden ze achter de Duitse linies in massagraven begraven. Daarna heeft het negentig jaar geduurd voordat ze weer werden gevonden. En de laatste maanden woedt over hun overblijfselen een wetenschappelijke en politieke strijd.

Sinds mei dit jaar is het bedrijf Oxford Archaeology in opdracht van de Britse en Australische overheid bezig de stoffelijke resten op te graven en te identificeren. Vorige week liet de Belgische amateurarcheoloog Johan Vandewalle, die wegens zijn expertise op het gebied van Eerste Wereldoorlogarcheologie als adviseur bij de opgraving was geroepen, weten dat de archeologen hun werk niet goed deden. Ze hadden geen voorzorgsmaatregelen getroffen tegen overvloedig regenwater, waardoor identificeerbaar DNA uit de botten was weggespoeld. Verder groeven ze te snel te diep, met als gevolg dat stoffelijke resten door elkaar konden raken. En dat allemaal omdat de Britse en Australische overheid een vast budget en een strak tijdschema hebben opgesteld. In juli 2010 moeten met groot ceremonieel de stoffelijke resten worden begraven in een nieuw kerkhof bij Fromelles.

Forensisch archeoloog Richard Wright, betrokken geweest bij opgravingen van massagraven in Bosnië en nu ook ingehuurd, zegt op zijn beurt dat de kritiek onterecht is en gevoed wordt door archeologische instituten van de universiteiten van Glasgow en Birmingham die eerder de aanbesteding van Oxford hebben verloren.

Volgens Australische kranten was de offerte uit Oxford echter een miljoen pond goedkoper, omdat ze zaken als goede afwatering niet hadden opgenomen. Britse en Australische parlementariërs hebben intussen om duidelijkheid gevraagd.