Bochten Westerschelde blijven nog net zo nauw

Een groot deel van de Westerschelde staat alleen bij vloed onder water. Dit gebied wordt steeds kleiner. Baggeren kan dit erger maken, maar ook beter.

Bij het uitbaggeren van de Westerschelde mag er geen kubieke meter zand uit deze zeearm verdwijnen. De kleine acht miljoen kubieke meter bodemmateriaal die uit de vaargeul omhoog komt, moet worden teruggestort. Langs de randen van de zeearm, in de huidige geulen of tegen bestaande zandplaten aan. „Dat eist de wet”, zegt adviseur Ankie Bruens van Deltares, een kennisinstituut dat rivierdelta’s onderzoekt.

Door zand binnen de Westerschelde terug te storten, moeten zo veel mogelijk zandplaten behouden blijven, en daarmee ook de zeehonden die erop zonnen en de vogels die er naar voedsel zoeken. „Ook voor de bescherming van de Noordzeekust is het van belang dat er niet op grote schaal zand uit dit getijdegebied wordt weggehaald”, zegt Bruens.

Die drieduizend olympische zwembaden vol zand zullen voor 2010 uit de geul worden opgediept. Dat heeft het Nederlandse kabinet de Belgen beloofd. Het levert een vaargeuldiepte op van 13,10 meter bij laagwater. Nu is die minimale diepte 11,85 meter.

Op sommige plekken wordt de vaargeul ook verbreed, maar nauwe bochten bij plaatsen als Borssele en Walsoorden, waar nog weleens een containerschip in problemen raakt, blijven net zo nauw als ze waren. Omdat de steile geul voortdurend dichtslibt, moet er straks jaarlijks nog eens 12 miljoen kubieke meter zand worden opgebaggerd om de geul na 2010 op diepte te houden.

„’s Werelds grootste containerschepen kunnen nu al de haven van Antwerpen bereiken”, zegt Han Winterwerp van Deltares, „Maar alleen als ze met het getij mee varen. Dat maakt een enorm verschil in bereikbaarheid. Het verschil tussen eb en vloed kan oplopen tot 3,5 meter bij Vlissingen en wel 5 meter bij Antwerpen.”

Op sommige plaatsen is de vaargeul nu al meer dan vijftig meter diep. Doel van de baggerwerkzaamheden is om twaalf ‘drempels’ te verwijderen. Winterwerp toont een kaart met een gekartelde lijn: het bodemprofiel van de Westerschelde. „Je kunt je de geul voorstellen als een rij bergtoppen”, zegt hij. „De baggerwerkzaamheden moeten de hoogste toppen eraf halen.”

Technologisch is zo’n project een makkie, vertellen baggerdeskundigen. „Daarvoor gebruiken we sleephopperzuigers”, zegt hoogleraar baggertechnologie Cees van Rhee (TU Delft). „Dat is een boot die met een enorme stofzuigerslang over de bodem sleept. Het opgezogen water en zand gaan in een laadbak, de hopper kan zijn lading lozen door luiken in de bodem te openen.”

Sleephopperzuigers zijn vooral geschikt om grote bergen zand op zee te storten, maar volgens baggerspecialist John Pennekamp van Deltares is een boot met kleppen in de bodem ook bruikbaar voor zandverplaatsing binnen de Westerschelde. „De grootste jumbo’s kunnen tienduizenden kubieke meters zand laden”, zegt hij. Maar „voor de Westerschelde steken die te diep”. Moderne sleephopperzuigers kunnen hun lading ook over de boeg wegspuiten. Deze techniek heet rainbowen. Zo zijn de eilanden bij Dubai aangelegd, en zo ontstaat ook de Tweede Maasvlakte. Op plaatsen waar zo’n neersuizende straal het ecosysteem dreigt te beschadigen, kan het mengsel ook onder water worden opgespoten.

Toch is niet de technologie van het baggeren, maar het voorspellen van de gevolgen daarvan de grootste uitdaging. Volgens Winterwerp bestaat er weinig besef van de enorme dynamiek van de Westerschelde. Bij vloed spoelt jaarlijks 20 miljoen kuub zand de zeearm in – al neemt de watergedragen zandmassa stroomopwaarts richting België steeds verder af. Bij eb spoelt zo’n 90 procent van dat zand weer naar buiten.

Uit die spoelende zandmassa’s probeert Deltares een voorspelling te halen over de ontwikkeling van het Nederlandse deltagebied. „Daarvoor gebruiken we computermodellen en inschattingen van experts”, zegt Ankie Bruens. Dit soort inschattingen hebben een forse onzekerheidsmarge.

In de hele Westerschelde ligt nu zo’n 6.500 hectare aan intergetijdengebied. Dat is het gebied dat alleen bij vloed onder water staat. Zelfs als de vaargeul niet wordt uitgediept neemt dit areaal jaarlijks af met circa een half procent.

Deze afname is het gevolg van baggerwerken om de huidige vaargeul op diepte te houden, maar ook van ingrepen in het verleden, zoals inpolderen en zandwinning, en de zeespiegelstijging.

De Raad van State eist dat het areaal aan intergetijdengebied door het verdiepen van de vaargeul niet verder mag afnemen dan nu al het geval is. Volgens een uitspraak in juli van dit jaar is dat onvoldoende gegarandeerd.

„Wij zijn er zeker van dat het storten van baggerspecie uit de vaargeulen zó kan worden uitgevoerd dat er intergetijdengebied gewonnen wordt”, zegt Bruens.