Zoevend als een oude Mercedes

Met optredens in Warschau bereidde het Orkest van de Achttiende Eeuw zich voor op het Festival Oude Muziek. De orkestleden roemen de familiesfeer en de lichaamstaal van dirigent Frans Brüggen.

Het Orkest van de Achttiende Eeuw in Warschau Foto Wojciech Grzedzinski Grzedzinski, Wojciech

Zondag 23 augustus, 11 uur. Warschau is rustig en zonnig. Door de schelpvormig gestuukte gangen van de Poolse Nationale Opera lopen kleutermeisjes in fluwelen jurkjes, jongetjes met vlinderdasjes. Het ruikt er bedwelmend naar sigaretten. Warschau is een dynamische en moderne stad, maar de communistische jaren hebben sporen nagelaten.

In de artiestenfoyer dampen de ketels soep. Voor het Orkest van de Achttiende Eeuw is dit thuis. Een beetje, althans. Stanislaw Leszczynski, directeur van het plaatselijke Chopin Instituut, haalde het orkest in 1989 voor het eerst naar Polen. Sindsdien komt het er jaarlijks, soms zelfs twee keer in één seizoen.

Deze ochtend, bij het eerste lustrum van het muziekfestival Chopin i jego Europa spelen ze Haydns oratorium Die Schöpfung in een bewerking voor kinderen. Een Poolse acteur (de duivel) draagt met briesende stemwendingen de tekstbewerking van Ger Thijs voor. „Kto wyrzuci Ziemie, ten dostanie premie!” Er wordt gelachen. Maar veel van de kinderen, naast het orkest op kussens, zijn te klein om er iets van te snappen. De geroemde Haydn-klank van het orkest en de samenzang van het Nederlands Kamerkoor vervliegen in een woud van stemmetjes, zenuwachtig gispende moeders, een peuter die dansend een trombonekist omstoot.

„Een vervelende inschattingsfout van de ouders”, vindt orkestdirecteur Sieuwert Verster na afloop. Frans Brüggen: „Achter de tralies met die rotkinderen.” Maar hij lacht erbij.

17 uur.

Het Orkest van de Achttiende Eeuw repeteert. In de Opera is het gewone publieksdeel met stoelen afgeschermd. In plaats daarvan is het podium gevuld met tribunes. Dat kan makkelijk, want met een vloeroppervlak van voetbalveldformaat is dit het grootste toneel ter wereld. Nadeel: de orkestklank vervliegt voor een te groot deel in die enorme ruimte. Voordeel: alles wat hier nu al goed klinkt, klinkt straks op het Festival Oude Muziek nog beter.

Voor de open repetitie van Mozarts Pianoconcert k466 zitten de tribunes vol. Brüggen – op zijn 75ste stram in zijn bewegingen – komt op met het 13-jarige Japanse wonderkind Aimi Kobayashi. Geen lieve woordjes om het kind gerust te stellen, er moet gewerkt worden. „Twee maten voor letter A wil je de jachtigheid al aan voelen komen”, zegt hij. Het orkest volgt zijn aanwijzingen uitermate alert op. Het gegrom van de bassen na de inzet van de fortepiano wordt door Brüggen aangescherpt met verwant gegrom en borende blikken in de richting van de drie contrabassisten in het orkest.

Brüggen repeteert in het Nederlands. De musici mogen uit 23 landen komen, na 1.132 repetities en alles bij elkaar opgeteld 5,5 jaar onafgebroken samenwerken verstaan ze hem toch wel. Opvallender nog is de paradoxale stramheid van Brüggens gebaren. Als je hem van een afstand op zijn kruk ziet zitten dirigeren, snap je niet waar de muzikale nuances die hij veroorzaakt vandaan komen. Van dichtbij wordt duidelijker hoe het werkt. Dat het orkest Brüggens stijlopvattingen na dertig jaar kan dromen, is de basis. „En Frans weet hoe hij met zijn stramheid moet omgaan”, zegt natuurhoornist Teunis van der Zwart, twintig jaar bij het orkest. „Van die reumatische reuzenhanden gaat een eigen expressiviteit uit. Een pinkbeweging zegt soms al alles. Een blik, een wenkbrauw. Wat hij wil, maakt hij heel goed duidelijk.”

Barokviolist Annelies van der Vegt (43) kwam zes jaar geleden als laatste bij het orkest. Ze verdeelt haar aandacht tussen dit orkest, het Freiburger Barockorchester en ensembles als Camerata Trajectina. „Ik heb één keer zelf een orkest opgebeld om me aan te bieden: dat was hier. Het Orkest van de Achttiende Eeuw is mijn ultieme droom. Mijn eerste plaat was er een van Brüggen. Op de hoes stond zijn foto; hij droeg een witte trui met een blauwe bies. Toen ik voor het eerst meedeed en daarna zag dat er ook nog geld werd bijgeschreven, was ik oprecht verbaasd.”

De familiare sfeer is een van de pijlers onder het Orkest van de Achttiende Eeuw. Tijdens de repetities ligt het dochtertje van violist Sayuri Yamagata pal onder de muziekstandaard te tekenen op de grond. Soms houden orkestkinderen siësta in een van de contrabashoezen. „Er heerst een vriendenclubgevoel”, vindt Van der Vegt. Omdat het orkest maar een paar keer per jaar samenkomt, ontduikt het de ‘huwelijkssleur’ die sommige fulltime samenspelende ensembles kenmerkt – al zie je ook hier soms even een frons, een nukkig opgetrokken schouder. „Onze kruk heeft drie pootjes”, zegt directeur Verster. „Eén: Frans. Twee: het comfortabele avant-gardisme en de iedereen aansprekende schoonheid van ons repertoire. Drie: de opzet. Na een tournee gaat iedereen doodmoe zijns weegs, maar na een paar maanden heb je zin om weer bij elkaar te komen. Dat we onze formule nooit hebben uitgehold door te zwichten voor meer concerten, betaalt zich nu terug in lol.

„Het Orkest heeft alle fases doorlopen: opgroeien, volwassenheid en midlifecrisis, waarin sommige musici – zelf inmiddels immers ook specialisten en kenners – de ambitie ontwikkelden te gaan dirigeren of ergens een hoogleraarschap te accepteren. Op dit moment baden we in avondgloed. We willen er samen nog zo lang mogelijk, zoveel mogelijk van genieten.”

Hoornist Van der Zwart: „En ook zoveel mogelijk met Frans. We werken nauwelijks nog met gastdirigenten. Zeven jaar geleden stond Simon Rattle voor ons orkest. Het klonk meteen anders.”

Violist Van der Vegt: „Sieuwert is de motor die ons draaiend houdt, Frans de ziel. Dat hij als fluitist is begonnen, merk je aan zijn manier van dirigeren. Het orkest ademt, ik speel hier lichter en vrijer dan waar ook elders. Die warme luchtigheid van de strijkersklank vind je alleen hier. Het voelt een beetje… als fietsen zonder handen.”

„Als een comfortabele, oude Mercedes”, typeert hoornist Van der Zwart. „Het orkest zoeft met Frans; er zit wind in het geluid. Mij raakt dat in de ziel.”

18.30 uur.

Frans Brüggen drinkt een glas wodka in de hotelbar. Het Orkest van de Achttiende Eeuw ademt nog steeds een zekere flowerpowersfeer. Goed, de jonge musici die dertig jaar geleden als hippies vanuit de hele wereld op het fenomeen Frans Brüggen afkwamen en in diens experimentele orkest belandden, zijn nu kortharig en gevestigd. Maar de democratische opzet is onveranderd. Tijdens repetities is Brüggen de ‘straffe leider’, maar alles gaat in overleg. „Soms gaat het wel ver”, lacht hij. „Dan gaan ze hun instrumenten opeens zitten stemmen, met elkaar overleggen tijdens de repetitie of zenuwachtig tokkelen.”

De orkestbus laat Brüggen tegenwoordig links liggen: anders komen er ook na repetities en concerten vijftig musici op hem af om „nog even iets te bespreken”. Brüggen: „Of, nog erger, ze zeggen: ‘Wat was dit een goede repetitie!’ Pardon? Was de vorige niet goed dan?”

Maandag, 22.30 uur.

In Warschau houden ze van lange concerten met veel pauzes. Als laatste onderdeel speelt het Orkest Mendelssohns Midzomernachtsdroom waarmee het ook het Festival Oude Muziek opent in het Utrechtse Park Lepelenburg.

Het Orkest van de Achttiende Eeuw met muziek uit de negentiende eeuw – dat lijkt in tegenspraak met Brüggens idealen van het eerste uur. „Helemaal niet, Mendelssohn spelen we juist zo goed!” reageert hij. De grenzen van het repertoire blijven voor een nicheorkest als dit een onderwerp. „Eigenlijk zijn wij vier orkesten”, zegt Brüggen. Er is een apart instrumentarium met bijbehorende stemming voor Bach, maar ook voor de Weense klassieken (Mozart, Beethoven, Haydn), voor Rameau. En voor de vroege negentiende eeuw, zoals de vroege werken van Chopin en Mendelssohn waarvan je nog zou kunnen zeggen dat de achttiende eeuw erin doorklinkt. „Maar échte Romantiek, nee, daarvoor zijn we ongeschikt. Bij Schumann en Chopin ligt de grens. Sommige dirigenten, zoals John Eliot Gardiner of Philippe Herreweghe, vinden het interessant om zelfs Debussy of Bruckner met een ‘authentiek’ orkest te spelen, maar dat vind ik onzin. Na Berlioz is het symfonieorkest niet meer wezenlijk veranderd.”

Dat reguliere symfonieorkesten ook nog steeds het repertoire van de achttiende eeuw spelen op moderne instrumenten steekt Brüggen niet langer, zegt hij. „Uiteindelijk is de manier van spelen toch veel belangrijker. Dat heb ik in mijn werk met de Radio Kamer Filharmonie ook gemerkt; die hebben de juiste speelstijl echt geleerd. Het rare is dat muziek zelfs prachtig kan zijn als er niks van deugt. Bachs Brandenburgse concerten onder Karajan, bijvoorbeeld. Vreselijk qua stijl, maar uitermate genietbaar. Ik ben daarin geen pietlut. Maar die genietbaarheid ligt dan wel meer aan de muziek dan aan de uitvoerder. Bach is de grootste, die kan gewoon niet stuk.”

Brüggens liefste muziek is altijd die die hij op dat moment uitvoert, zegt hij. Deze week zijn dat dus Mendelssohn en Haydn. Dat Haydns reputatie die van Beethoven en Mozart nooit heeft geëvenaard, vindt hij onterecht. „Allemaal de schuld van die klote-Mozart, die schelm die het altijd wint.” Hij lacht er raspend bij, pakje Marlboro onder handbereik. „De oppervlakkige musicus of luisteraar begrijpt de onderhuidse humor en de inventiviteit van Haydn gewoon onvoldoende. Vergelijk het met componisten als Couperin of Rameau – daar krijg je ook geen handen voor op elkaar.”

Het Orkest van de Achttiende Eeuw heeft dan ook minder Franse barokmuziek gespeeld dan het zou hebben gewild. Eén keer, met dank aan de Poolse minister voor Cultuur, slaagde het erin Rameaus Les Indes Galantes te brengen in een scenische uitvoering. Maar die andere 33 opera’s – die blijven braak liggen. Brüggen: „Als een operahuis ons daar nu voor vraagt, zeg ik onmiddellijk ja.” Maar De Nederlandse Opera koos juist in dit repertoire voor kleinere, Franse ensembles. Dat steekt. „Maar ik snap het ook wel: wij zijn in dit repertoire gewoon te duur. Wij spelen die muziek zoals het eigenlijk hoort, met 55 musici.” Het Orkest brengt Rameaus Indes Galantes dit jaar nog wel een keer concertant in de ZaterdagMatinee. Brüggen zucht. „Tsja. Wij leven in een tijd van armoede. In Rameaus tijd werkten alleen al in het theater tweehonderd mensen, bijvoorbeeld om de kandelaars te stellen.”

Grote herontdekkingen binnen het repertoire van de achttiende eeuw? Brüggen denkt ze niet meer mee te maken. „Simon Murphy van de New Dutch Academy richt zich nu op muziek uit de Mannheimer-school; Stamitz en zo. Maar dat is ontzettend slechte muziek! Met de Radio Kamer Filharmonie moesten we laatst een pianoconcert van Pleyel spelen. Afval. Leonardo Leo? Shit. Nee, musicologen uit de negentiende eeuw zagen heel goed welke muziek het verdiende om herontdekt te worden, en welke niet.”

Op de documentaire De Schepping van Frans die orkestdirecteur Sieuwert Verster maakte en die op het Festival Oude Muziek wordt vertoond, zien we Brüggen in zijn tweede huis. Een burchtachtig landgoed in Toscane is het, tussen Siena en Florence. De krekels zingen er, alles bloeit. Brüggen perst er zijn eigen dikke, groene olijfolie. „Dit is het paradijs”, zegt hij. Waarom is hij er niet vaker, vraag je je af. „Het is de schuld van Sieuwert, die geniale drammer die me er steeds weer van overtuigt op volle kracht door te gaan”, verklaart hij. Gastdirecties elders – daar is hij wel selectief in geworden.

Sieuwert Verster: „Overigens is het ook weer niet zo dat het Orkest van de Achttiende Eeuw de laatste jaren meer is gaan spelen, hoor. Het aantal was steeds gelijk.”

Brüggen: „Nou, Sieuw…”

Verster: „Fransie, ik heb geteld.”

Brüggen: „Ach, ik kies ook zelf voor het sterven-in-het-harnas-scenario. Het orkest is nu zo’n geoliede machine, zo solidair en genereus. Soms ben ik somber. Dan zegt mijn vrouw: je mist het orkest. En dat is dan inderdaad zo.”

Het Orkest van de Achttiende Eeuw is vanaf vanavond ‘in residence’ op het Festival Oude Muziek. Info: www.oudemuziek.nl. Info over concerten en opnamen van het orkest op www.orchestra18c.com